Klimmers waarschuwen: als je de top bereikt hebt, ben je pas halverwege. Iets dergelijks geldt voor schrijven. Dat leerde ik toen ik werkte aan de verhalen die ik schreef over Eric Arnold.

Het nieuws over zijn dood op de flanken van Mount Everest bereikte me op een zaterdagochtend. Ik had weekenddienst bij de Volkskrant, er was weinig ander binnenlands nieuws en ik vroeg de weekendchef of ik een reconstructie mocht maken. Dat leek hem een goed plan.

Zondagavond – na twee lange dagen – leverde ik het verhaal in. Het ging over een klimmer die zich in zijn jeugd al had voorgenomen de hoogste berg van de wereld te beklimmen en nu – na vier gestrande pogingen – écht de top wilde halen. Ik had me gebaseerd op de karige informatie die over de fatale tocht bekend was, maar vooral op oude interviews en een gesprek met bergbeklimmer Katja Staartjes, die zelf op de top had gestaan. De familie en de Nederlandse leider van de expeditie had ik niet te pakken gekregen.

Het resultaat stemde me tevreden. Ik had er met het beschikbare materiaal een verhaal van tweeduizend woorden met een mooie spanningsboog en fijne details uit weten te persen. Dat was me nooit eerder in zo’n korte tijd gelukt.

Ik kreeg complimenten voor het verhaal, maar iets zat me dwars. Want wat was er nou werkelijk op die berg gebeurd? Ik wist het nog steeds niet.
En dus stuurde ik twee weken na mijn eerste mails een nieuw bericht aan de expeditieleider. Ik schreef dat ik me goed kon voorstellen dat hij destijds geen trek had gehad om te antwoorden. Dat ik graag alsnog zijn verhaal wilde optekenen. Dat ik geen haast had. En dat ik het snapte als hij niet wilde meewerken. Je moest nooit iemand onder druk zetten, wist ik. Je moest iemand zijn eigen moment laten kiezen om zijn verhaal te vertellen.

Arnold Coster mailde snel terug. Hij was nog heel even in Nederland, ik kon hem bellen zodra hij weer thuis in Kathmandu was. ‘Weinig mensen begrijpen hoe het echt zit’, schreef Coster. ‘Het is makkelijker iemand uit de ruimte te redden dan van een berg van achtduizend meter hoogte.’

Het gesprek met Coster leverde materiaal voor een indrukwekkend verhaal. Een strijd op leven en dood. Een hoofdpersoon door wiens ogen ik het hele verhaal kon vertellen. Een waanzinnige decor.

Daar stond ik dus, op de top van mijn berg. De klim was geslaagd, nu moest ik naar beneden. Ik was pas halverwege.
Vooral de structuur van het verhaal hield me wakker. Ik ontwaarde twee spanningsbogen De eerste: kon Coster de klimmers redden? De tweede: lukte het hem – zodra ze overleden waren – de lichamen beneden te krijgen?

Het probleem was dat de eerste spanningsboog krachtiger was dan de tweede. Die overlevingsstrijd van die twee klimmers – dat was heftig. En tja, of die lichamen vervolgens beneden kwamen, dat was toch van minder belang. Zou ik dit chronologisch vertellen, dan zou het verhaal langzaam uitdoven.
Misschien moest ik het als twee aparte verhalen zien, bedacht ik – één over de klim, één over de afdaling met de lichamen? Die verhalen zou ik in elkaar draaien, met om de beurt een scène uit het ene verhaal en een scène uit het andere.

Ik begon met de scène waarin Coster de vriendin van Eric Arnold belt en vertelt dat hij is overleden. Ze vroeg hoe zijn lichaam beneden zou komen. Daarmee stond deze verhaallijn op spanning. Want ja, hoe ging Coster dat doen?
Toen kwam de eerste scène van de andere verhaallijn. Iedereen leefde nog, de klimmers maakten zich klaar voor hun toppoging. Spanning was er vanzelf. Eric Arnold zou straks sterven. Maar hoe?

Volgende scène: Coster sleept het lichaam van Eric Arnold de tent uit.
Daarna: Coster in zijn tent, het allereerste bericht dat er iets mis was met Arnold.
Enzovoorts.

808246a8136411d9d1475926735c43fdHet was leuk bedacht, maar het werkte niet. Te veel nieuwe personages in de eerste scène, te geforceerd, het moest anders.

Ondertussen moest ik ook nog een journalistieke vraag beantwoorden: klopte het verhaal wat Coster me verteld had? Ik had er een goed gevoel bij, had Coster in twee gesprekken niet kunnen betrappen op inconsistenties en hij leek me eerlijk over zijn eigen beperkingen.
Maar ja, hij was expeditieleider en volgend jaar had hij ook weer betalende klanten nodig. Hij zou een motief kunnen hebben om zijn rol mooier voor te stellen dan die was. Ik moest het verhaal dus checken.

Dat deed ik op verschillende manieren (en dat had ik, besef ik nu, in een naschrift moeten vermelden). Allereerst las ik op internet een blog van een ander expeditielid. Ze was niet bij de sterfgevallen aanwezig geweest – elke klimmer deed de toppoging op zijn eigen tempo – maar geloofde niet dat Coster schuld droeg. Ook mailde ik de Amerikaanse klimgoeroe Alan Arnette om te vragen naar de reputatie van Coster. Die was goed, schreef Arnette. Tenslotte benaderde expeditieleden Niels van Buren en Pieter van den Broeke, om hun kant van het verhaal te horen. Die gesprekken gebruikte ik vooral om feiten te checken. Costers verhaal leek te kloppen.
Ik was nu halverwege de afdaling.

Wat restte, was de structuur. En dus probeerde ik wat in zulke gevallen vrijwel altijd het beste is: ik zette alles weer in chronologische volgorde.
Dat beviel meteen goed, het gaf rust aan het verhaal.
Ik moest alleen iets bedenken om ervoor te zorgen dat het verhaal na de dood van de twee klimmers niet zou doodbloeden.

Allereerst besloot ik het verhaal van de berging van de lichamen niet te veel ruimte te geven. Het moest kort en bondig. Maar belangrijker nog: ik moest zorgen dat er iets op het spel stond. Dat loste ik op door in het verhaal te benadrukken dat de vriendin van Eric Arnold heel graag wilde dat het lichaam naar Nederland zou komen.
Dat werkte.

Ik was beneden.

Naar het verhaal van deze makerTerug naar alle verhalen

Het verhaal bij deze maker

Einde op de Everest

Afgelopen voorjaar kwamen op de flanken van de Mount Everest onder leiding van de ervaren Nederlander Arnold Coster twee klimmers om het leven.


Door: Rik Kuiper

Categorie: Lezen

de Volkskrant

Read More