Altijd Vertrouwen

Deze week zijn de Paralympische Spelen in Rio. Roeier Alexander van Holk doet mee. Samen met Sander Pleij kijkt hij vooruit naar de wedstrijd en terug op zijn leven. ‘Niet denken aan de pijn.’

De nacht

Jan zegt je moet de spanning toelaten. Probeer die niet van je af te zetten, je krijgt ’m toch. En als-ie komt, focus je dan op je taak. Wat je moet doen: goed plaatsen, niet te lang doorhalen, de bladen kort in het water houden, ruimte maken, vlot terugdraaien.

Hij zal het visualiseren, straks in bed, in Rio, de nacht voor de strijd. Met zijn armen of alleen zijn handen maakt hij dan de bewegingen – doet hij nu al soms. Wat kan hij straks controleren? Stiekem zal hij ook even denken aan de mogelijke uitslag: met wie zit hij in de heat? Wie moet hij kunnen pakken? Daar krijgt hij zin van. Zin om het theoretische resultaat tot realiteit te maken. Wordt hij zó enthousiast van, moet hij zichzelf tot rust brengen. Zoveel zin dat hij anders niet meer kan slapen.

Maar als hij eenmaal slaapt, dan slaapt hij wel door. Straks.

Zijn verhaal: winnen

De boot betaalt hij zelf, het maandenlange verlof van zijn werk ook. Is niet erg, hij verdient veel. Dat is wel zo fijn als je een handicap hebt en van alles in aangepaste vorm nodig hebt. Het is fucking cool natuurlijk dat hij naar Rio gaat. En leuk om rolmodel zijn. Leuk als mensen met een dwarslaesie of handicap zien dat je desondanks mooie dingen kan doen. Dat hij die inspiratie biedt. Ook aan niet-gehandicapten trouwens. Maar zou dat zijn waarom hij het doet? Hij zoekt ook gewoon nieuwe uitdagingen, is al zes jaar heel succesvol als investment banker in de Londense City en wil dat het leven niet saai wordt, dat er méér is. Zijn vrouw noemt hem wel eens verwend, dan zegt ze dat hij gewend is om altijd succes te hebben, met zijn aanstekelijke lach, uiterlijk, zijn intelligentie, omdat hij zo aardig is tegen mensen, en dan dat doorzettingsvermogen. Zegt ze ook nog dat hij geniet van al die aandacht. Maar toch, nu, is dat waarom hij het doet? Hij zit vlak voor hij naar Rio vliegt en hij wil maar één ding: hij wil slágen.

Hij wil winnen.

Hij genoot erg van het sportleven, dat gevoel van jezelf helemaal tot het uiterste pushen.

De ochtend

Het zal heel vroeg zijn, waarschijnlijk nog maar een uur of vijf, zes. Hij zal niet eens meteen weten wat er aan de hand is, waar hij is. Eerst wakker worden. Dan aankleden, tas inpakken, checklist nalopen: roeipakje, ondertruitje, speedcoach, bruistabletten voor in zijn drank- je. Gaat hij het wel op tijd halen? Ja, als je naar Luise moet luisteren, die zegt dat hij áltijd en óveral te laat komt. Ze zegt dat het boek over zijn leven Running Late zou moeten heten. Licht ontbijt, wat small talk, busje in, laatste berichtjes sturen naar familie, vrouw. Zín.

Zijn verhaal: enthousiasme

Een oude vriend was getuige op zijn huwelijk en vertelde er hoe de twee eens op vakantie samen naar een rivier liepen. Het was sneller om door een veld te lopen maar daar stond een hek omheen en een vervaarlijk uitziende zwarte hengst in. De vriend zei: omlopen. Nee, Alexander klom over het hek. Hij zou wel zien wat er gebeurde. Rustig liep hij het veld in. De vriend zei: jij kijkt altijd snel, schat in, dan ga je en je ziet wel hoe het loopt, want jij vertrouwt altijd op je capaciteiten om jezelf te redden. Dat klopt wel, maar uit dat veld was hij snel teruggekeerd toen de hengst briesend op hem was afgekomen.
 Dat zelfvertrouwen, hij heeft gewoon altijd het vertrouwen gehad dat de dingen goed komen. Hij is een optimist. Zo is hij geboren. En hij is heel beschermd opgevoed als Hollands expat-kindje in Engeland, op zijn vijftiende speelde hij nog soldaatje in de bosjes. Echte sportman ook, hij genoot erg van het sportleven, dat gevoel van jezelf op de training helemaal tot het uiterste pushen, bijkans kruipend van het veld afkomen omdat je alles hebt gegeven, zelfs de conditietrainingen vond hij heerlijk. Op zijn zestiende stond hij op het punt door te breken in het eerste van zijn hockeyclub, hoofdklasse was dat, met internationals in het team.

Nog heel lang had hij dromen waarin hij weer hockeyde. Daar heeft hij wel moeite mee gehad.

Op school was hij ook zo enthousiast hoor. Nieuwe dingen leren vond hij heel leuk. Vakken als geschiedenis: geweldig, wiskunde ook. Over economie ging hij al in de bibliotheek lezen voor hij het kreeg. Zijn enthousiasme, intuïtief alles doen, het leek allemaal vanzelf te gaan.

Nog 90 minuten

Het stadion: wedstrijdpakje aan, bidon vullen, naar de wc. Chillen. Probeert-ie met iedereen een praatje te maken, ook met de andere roeiers. Flauw grapje met de Italiaan: Piano hè? No, you piano! En dan routine, vaste routine, alles gepland. Nog 50 minuten: coach Jan Klerks en teammanager Merel L’Ami (beiden vrijwillig voor hem aan het werk) komen aanlopen met de boot. Nog 45 minuten: hij gaat te water; het meer moet prachtig zijn, het ligt midden in Rio en hij zal er al een paar dagen aan hebben kunnen wennen. Nog 40 à 35 minuten: de warming up begint. Inpeddelen, rustig, rustig, focus op lange halen maken. Snelheid erin en even 500 meter op 90 procent pakken. Moe maken. De eerste vermoeidheid al gevoeld hebben, daar straks niet van schrikken. Het systeem even hebben aangezet. Nog 20 minuten: startjes oefenen. Nog 8 minuten: er wordt omgeroepen, hij moet naar de start gaan, komt hij altijd aan met een gevoel van vertrouwen, dat weet hij nu al. Hij is áltijd tevreden met de warming-up. Nog 4 minuten: helemaal klaar gaan liggen. De bidon leegmaken, op een laatste slokje na, voor na de finish. Nog één keer het raceplan doornemen, proberen te genieten van het moment, de entourage, een praatje met degene die het bootje vasthoudt. Nog 2 minuten: rustig focussen op wat je gaat doen, de aandachtspuntjes. De zes landen worden omgeroepen. Na de zesde weet je: het gaat beginnen.

Nul minuten: Attention, wordt er geroepen, wachten… Go!

Zijn verhaal: het ongeluk

Waanzinnig leuk natuurlijk. ’s Ochtends vroeg met z’n allen op weg naar de Alpen. Hij weet het nog wel, heeft het bewust meegemaakt. Het oudere zusje reed en ergens tussen Reims en Troyes verloor ze de macht over het stuur. De auto is in een slip geraakt, over de kop geslagen en ergens in dat ogenblik is hij eruit geslingerd. Hij weet nog hoe het begon. Een beetje een gek gevoel was dat, van enerzijds: wow, dit is erg, maar ook van: dit is bruut, dit is een soort achtbaan, enorme krachten die loskwamen. Gek genoeg geen paniek. Weer dat vertrouwen, dit gaat goed aflopen. Hij is tegen een klein boompje aangekomen. De klap is zo enorm geweest, een hele ruggenwervel was uit elkaar. Lag hij in de berm, de auto iets verderop en wilde hij opstaan, maar dat lukte niet. Heel veel pijn in zijn onderrug, in zijn buik, en hij voelde zijn benen niet, alsof hij een knietje in zijn dijbeen had gekregen, een soort slapend been dat hij even moest afschudden. Hij probeerde op te staan, maar mensen begonnen van: nee, nee, niet bewegen. Kwam de brandweer erbij en die legden zo’n brace om zijn nek, stabiliserend. Zijn kleren werden van zijn lichaam gerukt, hij weet nog precies wat hij toen dacht, van die gekke dingen als: straks kan ik niet skiën, dan gaat de wintersport niet door! En: dit is mijn favoriete broek, moeten ze die nou kapot knippen? Ja, hij weet, hij vertelt alles lachend, maar zo is hij nou een- maal. Toen hij een helikopter in moest, dacht hij ook voor de ene helft: wow, dit is best wel erg, maar voor de andere: cool, ik ga voor het eerst in een helikopter.

Hij weet ook nog dat de artsen het vertelden: je hebt je rug gebroken en je kan waarschijnlijk niet meer lopen. Het enige wat hij zich daar nog van herinnert, is zijn vraag: maar kan ik dan nog seks hebben? Echt zo’n mannetje van zestien die het daar even nodig vond om nog een brutale grap te maken.

De anderen hebben geen blijvend letsel opgelopen. Alleen hij. Hij had geen riem om op de achterbank. Hij is ze eigenlijk een beetje uit het oog verloren. Het meisje dat aan het stuur zat, heeft hij jaren later nog wel eens gezien, toen hij aan het skiën was bij de skilift. Wel een apart moment was dat, misschien egoïstisch van hem maar hij was eigenlijk nooit meer met hen bezig geweest. Hij heeft haar gezegd dat het allemaal goed ging.

De start

Vijf halen (hij maakt nu meer dan 40 slagen per minuut), zo snel mogelijk op gang komen, máár: netjes en clean. Eerst het blad in het water plaatsen, dan rustig druk zetten. Een boot is logge massa. Als je harder drukt dan het water in beweging kan komen, rem je jezelf af.

Goed roeien is heel natuurkundig. Tijdens het roeien probeert hij de krachten te visualiseren. Als de plaatjes uit zijn oude schoolboeken. Ritme zoeken, sneller, meer druk onder water uitoefenen plus snellere recovery, voelen: is dit sustainable? Is de kracht onder water niet te veel voor de recovery, waarin de spieren de afvalstoffen moeten verwijderen? De optimale agressiviteit, máár: controle. Genoeg ruimte maken om je blad te keren (aandachtspuntje). Te snel betekent: misslagen.

Zijn verhaal: opstaan


Nog in Frankrijk werd de beslissing gemaakt te stabiliseren, werden er schroeven en metalen platen in zijn onderrug gezet en kon-ie die meteen weer belasten. Na een week was hij fit genoeg om getransporteerd te worden. Terug naar Engeland. Kon hij zo het gerenommeerde Stoke Mandeville revalidatieziekenhuis in. Daar lag hij dan, het was oud en nieuw, goed en wel een week na het ongeluk en hij had zich voorgenomen snel in een rolstoel te gaan zitten. Bewégen! Ze takelden hem uit bed. Nou, na vijf minuten rechtop zitten, was hij zo duizelig, haha! Moest hij weer op bed gaan liggen. Toen had hij wel even gedacht van: wow, ik moet echt weer even op nul beginnen, als ik niet eens meer kan zitten, dit is erger dan ik dacht.

Hij kon bijna niks meer, moest worden aangekleed, getakeld, geholpen met naar de wc gaan. Alles opnieuw leren. Maar hij zag mensen die echt zwaar verlamd waren. En een wat oudere man die weer alles zelf deed. Toen had hij gedacht: dat wil ik ook. Dat wordt mijn doel: zo snel mogelijk leren hoe ik mijn eigen kleren aantrek. Iedere keer zeggen: laat maar, ik probeer het zelf wel.

De psycholoog van het ziekenhuis bood ondersteuning aan. Maar hij had het eigenlijk ge- woon geaccepteerd. Hij wilde vooruitkijken. Zijn vriendinnetje, nog heel pril, had gezegd dat ze natuurlijk bij hem wilde blijven. Nou, toen had hij wel even jankend aan de telefoon gezeten. Het besef dat mensen nog steeds van hem konden houden en bij hem wilden zijn, dat was heel goed voor zijn zelfvertrouwen geweest. En zijn statige grootmoeder had ook indruk gemaakt, die had koel geconstateerd: ‘President Roosevelt zat ook in een rolstoel, dus jij kunt altijd nog president van de Verenigde Staten worden.’ Hij wil gewoon altijd dóór, leuke dingen doen.

Balen wel dat hij niet meer kon hockeyen. Nog heel lang had hij dromen waarin hij hockeyde, omdat hij niet meer kon hockeyen was hij dan maar keeper, en dan bedacht hij in de droom opeens van: hé, als ik nog kan keepen, dan kan ik dus ook nog staan op mijn benen, maar als ik op mijn benen kan staan, dan kan ik ook nog hockeyen! En dan hockeyde hij weer. In zijn droom. Daar heeft hij wel moeite mee gehad.

Nog 975 meter

Tien halen nu, tot de 100 meter, 38 à 39 slagen per minuut, doorbouwen. Dit zijn de gratis slagen: je explosieve kracht, je optimale vermogen. De hartslag is tot nu toe laag, hij verzuurt nog niet. Tien halen gaan lekker. Doorrammen.

Zijn verhaal: de uitdaging

Twee maanden heeft hij in Stoke Mandeville gezeten. Op school had hij de twee maanden afwezigheid snel ingehaald. Oxford was een mooi volgend doel geweest, maar hé: hij faalde. Was veel te nonchalant de toelatingsgesprekken gaan doen – voor filosofie had hij ter voorbereiding het jeugdboek De wereld van Sofie gelezen. Tja, op school was het hem zo gemakkelijk afgegaan. Was hij nu toch redelijk door de mand gevallen. Tegen zijn moeder zei hij: ‘Mam, voor het eerst in mijn leven gaat het niet zoals ik wil.’

Dat was dus na het ongeluk. 
Hij was gaan studeren in Groningen: geweldig gezellig, Vindicat, heel fanatiek is hij van het leven gaan genieten, zeg maar. Geen sport, na het afstuderen ging hij werken in Londen. In 2008 begon hij bij Morgan Stanly, een paar maanden voor de crisis en ja, dat was spannend maar bang voor ontslag was hij niet geweest. Tijdens zijn stage had hij laten zien dat hij goed was. Gewoon hard doorwerken dus. Ja, zelfvertrouwen heeft hij wel.

Hij kreeg weer zin serieus aan sport te doen. Echt ergens naartoe werken. Niet per se recreatief. Hij was toch sterk genoeg. Hees zich al- tijd met rolstoel en al Londense taxi’s in en dan zei zo’n chauffeur: You must be in the Paralympics mate. Toen kwamen de Olympische Spelen in Londen, 2012, hij ging kijken, fantastisch, raakte bevangen door de sfeer, en een paar weken later de Paralympics, die de- den er niet voor onder.

Als hij zich nu, wanneer het weer eens druilerig regent op de Bosbaan, afvraagt: Waarom? Ja, dan denkt hij dat het toch gewoon die sportieve uitdaging was, kijken of je met heel hard trainen tegen andere mensen die heel hard trainen, kunt laten zien dat jij beter bent, dat jij die wedstrijd wint. Hij houdt van dat competitieve.

Nog 900 meter

Nu van 100 naar 400: zo’n 300 meter in pak- weg 54 halen, hij haalt 35 à 36 slagen per minuut en gaat over van de gratis halen naar de sustainable halen: mooi lang gecontroleerd, de boot loopt goed door. Bij slechte halen remt de boot af. Dan worden ze niet nauwkeurig genoeg geplaatst, of te veel op snelheid en krijgt de haal niet genoeg energie mee. Hij moet in zijn kop de rust zoeken. Hij wil meer doen maar dat moet ónder water, mán, hij moet nadenken, analyseren: wat is de sustainable kracht die ik wil leveren? Na 300 meter denkt hij: eigenlijk gingen de vorige 300 vanzelf, nu moet ik gaan doorzetten. Doorbijten. Maar hij denkt: ik moet nog wel 700 meter. Even kijken naar de tegenstanders. Waar zit ik in de race? Maar je niet laten beïnvloeden. Je psychologische gesteldheid heeft heel veel invloed, maar die probeer je door trainen uit te schakelen. Hard, hij wil harder als het lekker gaat. Maar als je meer probeert te doen… je moet ook heel technisch blijven. Héél harde halen in het begin: je houdt het niet vol.

Zijn verhaal: het zelfvertrouwen

Bij zijn sollicitatie ging alles mis. Hij had de verkeerde formulieren naar Morgan Stanley gestuurd, zijn vliegtuig gemist, alles verneukt en toch deed hij het sollicitatiegesprek van zijn leven. Het heeft misschien te maken met de dingen die hij heeft meegemaakt, maar ook met zijn algemene instelling. Het belangrijkste is: sta alleen stil bij wat je nog kan veranderen. Makkelijk voor hem omdat het van binnen zit. Hij wordt altijd een beetje ongemakkelijk als mensen zeggen van: ik vind het heel knap van je. Dit is gewoon wie hij is. Heb dat zelfvertrouwen, zou hij iedereen wel willen zeggen. Toen hij in de revalidatie kwam, zeiden ze dat hij wel een half jaar bezig zou zijn maar hij zei: ik ga dat sneller doen, hij had dat zelfvertrouwen, het was nergens op gebaseerd, maar hij gelooft dat het heel belangrijk is, want je kan altijd wel redenen verzinnen waarom dingen fout kunnen gaan. Veel beter is het om te geloven dat je het op de een of andere manier wel kan. Of dat het goed komt. Er is echt wel een manier waarop iedereen met alle situaties om kan gaan. Zoals hij nu bij dat roeien, theoretisch is hij zevende of achtste van de wereld, maar je moet blijven geloven dat je de beste kan zijn. Want er zijn de omstandigheden, zal iedereen zijn meest perfecte tijd neerzetten?

Nog 600 meter

Van 400 tot 750 meter, nog steeds 35 à 36 sla- gen per minuut. Doorbijten nu, de pijngrens zoeken. Koppie erbij houden. De hartslag komt op een maximum, de verzuring in de spieren ook. Voor zijn gevoel doet hij hetzelfde maar de bootsnelheid loopt nu terug. De distance per stroke wordt minder. Het aantal slagen blijft consistent. De verzuring wordt meer en ook de technische uitvoering wordt minder. En dat mag niet, het moet technisch kloppen. Volgens zijn vrouw is hij een echte geek. Ja, hij houdt van cijfers en berekenen hoe het moet, en daar moet hij nu op concentreren: de analyse. Die gecontroleerd uitvoeren.

Zijn verhaal: de liefde

Luise, ze ontmoetten elkaar op een diner. Zij was bezet, hij al verliefd op een ander. Maar ze konden het zo goed vinden. Het was zo heerlijk om samen te dansen en te praten. Kwam hij nog vlak naast haar wonen ook, in een straatje bij Notting Hill. Ze spraken elkaar steeds meer, ze werden goeie vrienden, zij durfde alles aan hem te vragen. Dat zou later het handige blijken: ze wist al zoveel van hem, als ze dat aan het begin van een relatie nog allemaal hadden moeten uitvogelen. Nu had ze hem alles onbekommerd durven vragen: hoe dat ging met als hij vriendinnetjes had, hoe het zat met seks enzo, of dat ook kon. Op die laatste vraag was een suggestief antwoord gekomen: dat moest ze dan maar achterhalen als ze het wilde weten. Het was onvermijdelijk geworden. Op een nacht, het was inmiddels uit met haar vriend, dansten ze weer, na afloop rookten ze een laatste sigaret bij hem op de stoep, zij bij hem op schoot, en ja, ze zoenden. Anderhalf jaar later waren ze getrouwd en dat is nu twee jaar geleden.

Soms denkt ze: ik wil wel eens een gewoon stel zijn, niet dat leuke koppel ondanks de rolstoel

Ze heeft hem geleerd dat hij niet moet doen alsof hij Superman is, dat hij moet tonen dat hij best eens gefrustreerd is omdat hij in een stoel zit. Was ze hem in het begin een keer kwijt, vond ze hem uiteindelijk op de badkamervloer met allemaal bloed, had hij heel onhandig geprobeerd te maskeren dat hij z’n voet aan zijn stoel had gesneden.

Soms denkt ze: ik wil wel eens een gewoon stel zijn, niet dat leuke koppel dat zo danst ondanks dat hij in een rolstoel zit. Maar hij is daar immuun voor: hij is gewend dat mensen hem geweldig vinden, erkenning geven. Dat is voor hem de basis en zijn perspectief. Het komt, zegt ze, omdat hij het leven vól wil leven. Maar er is nog iets, zeg ze, waarom hij zo toegewijd is, ook aan mensen, waarom hij zichzelf maar ook jou niet snel zal opgeven en geen gelegenheid zal missen om zijn geliefden te vertellen dat hij van ze houdt.

Het heeft te maken met het ongeluk, het ándere ongeluk.

Nog 250 meter

Hij is al 750 meter bezig, nu komt de mentale boost van ik-ben-er-bijna. Maar ja, die heeft iedereen. Weer bewust kijken. Waar liggen mijn concurrenten? Heerlijk als je nu voorligt. En achter? Dan nóg een boost om het te halen. Het is nog één minuut, dat is behapbaar. Maar hij mag nog niet afsprinten. Nog 100 meter doorbouwen…

Zijn verhaal: broertje

Bram was jonger. Hij, sterke Alex, was altijd de grote broer geweest maar nu, het draaide een beetje om, de verhoudingen. Ze smeedden meteen nieuwe plannen, hadden ideeën over touwen die ze door het hele huis gingen spannen zodat Alexander overal naartoe kon klimmen. Nou ja, zoals broers, met z’n tweeën. Als Alex moest worden geholpen, dan stond zijn broertje klaar. Die hielp. Hij was ook meteen na het ongeluk in Frankrijk. Ging-ie om Alex op te vrolijken wheelies maken in een rolstoel, of opeens opstaan en dat de mensen dan de ogen uit hun kop staarden.

Vlak voor het gebeurde, waren ze samen naar Zuid-Afrika, met het schoolhockey- en rugbyteam. Alex mee omdat het zijn oude team was, zijn broertje als een van de jongere hockeyspelers, die een beetje cool probeerde te doen voor de vrienden van zijn grote broer. Had-ie zelfs z’n kop kaal laten scheren. Alex heeft… nou ja, hem laten merken dat hij dat dus totaal niet cool vond en het eerder gênant was. Nou ja, hij is gewoon best een klootzak geweest daarin.
Terug in Nederland hebben ze nog één dag gezellig met elkaar doorgebracht voor Alex een week ging zeilen. Het was de zomer na het ongeluk van Alex.

De laatste dag van die zeilweek, op weg naar de haven, wachtend voor de laatste brug, zag hij de auto van zijn ouders aan komen rijden. Hij zwaaide. Zijn zusje zag hem, de auto stopte en zijn broertje en zusje stapten uit. Vol enthousiasme kwam Bram naar hem toe rennen. Bij het oversteken van de weg is hij geschept. Op dat moment dacht hij, Alex, nog: het is een grote, sterke jongen, een rugbyer, het zal vast niet zo erg zijn. Het komt goed. Hij haalde ook nog adem en er was echt niet heel veel bloed. In het ziekenhuis bleek al snel dat hij het niet zou redden.

Zijn ouders, het was verschrikkelijk. De dood van iemand die zo lief is en die je zo dierbaar is, die zo dicht bij je staat, dat is het ergste wat er is, het is zo finaal en absoluut, er is gewoon niks meer.

Dat hij in die laatste week die hij met hem had doorgebracht een beetje een klootzak was geweest. Het heeft niet hun relatie als broers gedefinieerd, ze waren heel goed samen, ze hebben een heel mooie jeugd gehad, altijd samen gespeeld. Het is wel dat hij besefte: wees geen

klootzak. Hoezo je ergeren aan iemand die cool wil doen? Het enige wat echt belangrijk is in het leven zijn de mensen van wie je houdt, je familie, je vrienden. Naar de Spelen gaan, het is hartstikke mooi maar belangrijk is het niet.

Nog 150 meter

Van hier kan hij de slagen tellen: nog 30. Smijten met de laatste krachten, stroke rate een laatste keer opbouwen, afsprinten: 37 of méér halen per minuut. Zo hard mogelijk. Alles ge- ven, maakt niet uit hoe. Alles eruit peuren. Denken: dit is waar je het allemaal voor gedaan hebt. Nee: niet denken maar concentreren. Niet denken aan de pijn. Het lichaam zegt: stop! Waarom doorgaan? Je kan gewoon stoppen hoor. Dat mentale spel met jezelf, het is een debat. Er zit écht nog wat in de tank. Flitst zijn leven door hem heen? Zijn broertje? Nee. Nee. Hij stelt zich alleen voor dat hij het haalt, hij gaat ervan uit dat het kán…

Dit verhaal is gepubliceerd vlak voor de Paralympische Spelen in Rio in september 2016.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
pleijSander Pleij (1970) is redacteur kunst en boeken bij Vrij Nederland. Hij studeerde Moderne Letterkunde en Film & Televisiewetenschappen. Na zijn studie hielp hij mee het tv-programma Barend & Van Dorp op te richten en was hij redacteur en adjunct-hoofdredacteur bij De Groene Amsterdammer. Samen met Joeri Boom won hij in 1997 het Gouden Pennetje voor journalistiek talent. In 2014 won hij de Mercur voor beste tijdschriftreportage van het jaar voor zijn portret van Rem Koolhaas.
Waarom dit verhaal? Sander Pleij schrijft nooit zomaar een verhaal, hij denkt altijd na over de vorm. En die is nooit standaard, telkens gebeurt er iets bijzonders, iets eigenzinnigs. Zo ook in dit verhaal, waarin de geïnterviewde – een paralympische roeier – de aankomende wedstrijd visualiseert. Zijn gedachten over die wedstrijd worden doorsneden met het verhaal van zijn leven. Het is spannend om te lezen, zonder dat je de daadwerkelijke wedstrijd meemaakt. Dat kon ook niet, het gaat over een wedstrijd op de Paralympische Spelen, die bij het schrijven van dit stuk nog moest plaatsvinden. Bovendien lopen er twee spanningsbogen door elkaar heen: die van de wedstrijd en de enerverende gebeurtenissen in het leven van de roeier. De geïnterviewde wordt geparafraseerd, niet sprekend opgevoerd. Dat maakt hem nog meer tot een personage in dit verhaal.
Toelichting van de maker Mijn collega Nynke van Verschuer is er eigenlijk voor verantwoordelijk dat ik dit artikel schreef. Zij stelde me voor een verhaal te maken over Alexander van Holk en sprak met ons af in een café. Aan de cafétafel torende Van Holk met zijn lange sportlijf boven me uit en hij bleek een krachtige en vrolijke persoonlijkheid. Hij wist me direct te boeien met verhalen over zijn werk als investment banker en met zijn ambitie een Olympische medaille te winnen. Lees meer
Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen