Team Gaza

Vijf spelers van een voetbalteam en een journaliste. Een seizoen lang. In Gaza. Een hermetische afgesloten strook land tussen het puin, waar de oorlog ieder moment opnieuw vlam kan vatten. De een wendt zich tot God, de ander grijpt naar de wapens en een derde trouwt en bouwt een burgerlijk bestaan op. Op het voetbalveld komen de verhalen samen.

gaza17

 

Bekijk hier de interactieve documentaire

Toelichting van de makersTerug naar alle verhalen
 
Versie 2Laurens Samsom (30) werkte sinds 2011 als correspondent in het Midden-Oosten, eerst voor dagbladen Trouw en De Standaard, later voor RTL Nieuws. In die periode werkte Samsom ondermeer in Irak. In 2015 verscheen zijn debuutboek Tegendraadse Dromen, over een handvol dappere Israëliërs en Palestijnen die zich in woord en daad keren tegen hun eigen maatschappij. Het boek werd genomineerd voor ‘Beste journalistieke boek 2015’ en ‘Beste journalistiek reisboek 2015’. Vorig jaar maakte hij met Frederick Mansell de documentaire Team Gaza en in 2012 de documentaire The Ba'. 

img_6821Frederick Mansell (31) werkte sinds 2011 als journalist bij de Nederlandse omroep HUMAN/VPRO. Als researcher en maker was hij vanaf het begin betrokken bij het programma Argos TV - Medialogica. Daarnaast maakte Frederick als gastmaker bij KRO Brandpunt Reporter een aflevering over EU-subsidies die Nederland miljoenen euro’s kostte, waarvoor hij de aanmoedigingsprijs van De Loep in 2015 won. Vorig jaar maakte hij met Laurens Samsom de documentaire Team Gaza. Eerder maakte hij samen met Samsom de documentaire The Ba', over een eeuwenoud balspel in Noord-Schotland.

Waarom dit verhaal?

Team Gaza is een indringende en oogstrelende interactieve documentaire. De hoofdpersonen, vijf voetbalspelers en een journaliste, worden in hun dagelijks leven gevolgd tegen de achtergrond van één voetbalseizoen. Allen zijn verbonden door de liefde voor hun sport. Buiten het veld, in de straten en huizen van de Gazastrook, hebben ze allemaal een andere droom. De een wendt zich tot God, terwijl de ander een burgerlijk bestaan zoekt of juist de wapens wil oppakken. Online wordt hier slim mee gespeeld, bijvoorbeeld door de bezoeker zelf een aansprekend karakter te laten kiezen. In de documentaire worden de verhaallijnen gecombineerd en volgen de makers het alledaagse en kleine leven van de spelers. Met hun onbevooroordeelde blik komen zij zeer dicht bij hun hoofdpersonen, waardoor de scènes bijna altijd natuurlijk aanvoelen. Team Gaza toont zo de menselijke kant van het leven in een conflictgebied, als de wapens zwijgen en de camera's weer zijn vertrokken. Een beeld dat haaks staat op de schokkende en bekende journaalbeelden.

Toelichting van de makers

Het is november 2012. De laatste Gaza-oorlog is net beëindigd. Correspondent Laurens Samsom reist door de strook land tussen Israël en Egypte, dat twee keer zo groot is als Texel. Als hij bij toeval op het kleine voetbalelftal Beach Camp stuit, weet hij het meteen: hier zit een verhaal in. Een documentaire over het dagelijkse leven in Gaza. Eén die een ander beeld laat zien dan de gebruikelijke nieuwsberichten over ellende, geweld en chaos, maar die gaat over dromen die worden nagejaagd als wapens zwijgen. Lees meer

Toelichting van de makersTerug naar alle verhalen

Nachttrein naar Basra

Uit het kolossale station van Bagdad vertrekt dagelijks nog maar één trein. Ana van Es stapte in de Basra Express, die wagonladingen geschiedenis achter zich aansleept, en leerde in één nacht ongelooflijk veel over de problemen van het verscheurde Irak.

Op de laatste trein in Irak heeft de machinist maar één wapen: de toeter. Als Raed Mahmood op de toeter drukt, doet hij dat niet alleen met zijn handen, maar met het hele bovenlichaam, in een ritme dat is ontstaan door twee decennia ervaring, gedreun door de nachtelijke woestijn.
Toettoetoettoettoet.
Maar zijn getoeter helpt niet. Nog steeds staat even verderop een auto schuin tegen de spoordijk geparkeerd. Het vehikel verplaatst zich niet, de koplampen staan dreigend op de trein gericht. Wat doet die auto daar, bijna óp de rails?
Raed weet: dit kan verkeerd aflopen.

De trein is vertrokken vanuit de hoofdstad Bagdad, waar eerder die dag 77 doden zijn gevallen bij drie bomaanslagen. Onlangs nog ontplofte een bom op de snelweg pal hiernaast. Durft Raed het in deze omstandigheden aan om zijn trein vol passagiers langs een auto te sturen die stilstaat vlak naast het spoor?
Het liefst zou hij stoppen, maar dat gaat niet. De trein in Irak stopt niet voor auto’s op het spoor. Het is een regel die elke machinist kent: blijven rijden, wat er ook gebeurt, anders krijgt de trein in dit land nergens meer voorrang.    

Collega-machinist Yas Khoudar drukt zijn tengere lijf bijna tegen het glas om te peilen wat de bedoelingen zijn van de auto. Met Qassim Jabbar erbij, de derde man in de cabine, delen de machinisten gezamenlijk ruim driekwart eeuw ervaring op de trein. Hun lichamen zijn getekend door de keren dat het fout is gegaan.
Yas raakte in 2007 gewond toen op de rails bij Mosul een bom ontplofte, ‘op ongeveer twee meter van ons vandaan’.
Qassim heeft in 2011 een aanslag op zijn trein maar net overleefd.
Raed bleef als enige gespaard voor terreur onder het werk, maar hij kon in 2014 ternauwernood vluchten toen strijders van Islamitische Staat (IS) het huis van zijn familie veroverden. Hij moet ervoor zorgen dat de trein morgenochtend arriveert in de zuidelijke havenstad Basra, een nachtelijke reis van ruim tien uur dwars door Irak.
De vreemde auto is nu heel dichtbij.

Raed (42), een trotse man in een uniformhemd met indrukwekkende epauletten, glundert als je hem aanspreekt met zijn rang: kapitein. Toen hij aantrad, was respect voor een kapitein bij de Iraakse Republikeinse Spoorwegen nog net zo vanzelfsprekend als de dienstwoning, het prachtige salaris en de functie die overerfde in de familie.
Inderdaad, hoe anders gaat het nu. ‘Het maakt me verdrietig.’
Hij is spoorwegambtenaar van de derde generatie. Zijn opa diende nog onder de Engelsen, zijn vader maakte de opkomst mee van alleenheerser Saddam Hoessein. Raed, voor wie het altijd vast stond dat hij op de trein zou komen, beleefde als spoorwegambtenaar in 2003 de val van de dictator. Dat betekende het einde van de gouden decennia van de Iraakse spoorwegen.
Van oudsher verbond de trein niet alleen Irak, maar het hele Midden-Oosten. ‘Er was veel werk, we reden naar Turkije, naar Syrië’, zegt Raed. ‘Naar Basra reden wel vier treinen op één dag.’

Het spoorwegverleden van Irak balt zich samen in het Centraal Station van Bagdad, een complex met een paleisachtige grandeur. Het station en het spoorwegemplacement zijn samen van een grandioze oppervlakte: meer dan vier keer de Amsterdamse grachtengordel. Ooit was dit een van de drukste treinknooppunten in het Midden-Oosten.
Bordjes boven de gesloten loketten echoën bestemmingen die nu door oorlog en terreur onbereikbaar zijn geworden: ‘Turkije.’ ‘Syrië.’ ‘Mosul.’

img_0892Op het station van Bagdad waart de erfenis van Europa rond. Neem de stoomlocomotief voor de ingang, van buiten mooi opgeschilderd, van binnen doorgeroest. ‘Dit is de eerste trein die in Irak reed’, zegt de pr dame van de spoorwegen, Amal al Mafraye. En dan, alsof zoiets vanzelf spreekt: ‘Gebouwd in Duitsland in 1914.’ Kijk vervolgens omhoog, naar het dak van de marmeren vertrekhal, en je begint te vermoeden dat dit station een verbijsterende geschiedenis herbergt. Luister naar wat Al Mafraye zegt: ‘De koepel heeft de vorm van een Britse soldatenhelm.’

Eerste Wereldoorlog

Hier, aan de spoorlijn naar Bagdad, ligt volgens sommige historici op zijn minst een kiem voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Duitsland hoopte begin 20ste eeuw haar invloed in het uiteenvallende Ottomaanse rijk te vestigen met de aanleg van de Berlin-Bagdad Bahn – een klinkende naam voor een spoorlijn die in werkelijkheid zou lopen van de Noord-Duitse havenstad Hamburg naar het Zuid-Iraakse Basra. Olie moest hier toen nog worden gevonden, maar de Britten zagen de toegangspoort tot hun kolonie India bedreigd. Vanaf 1916 wisten ze het nog onvoltooide spoortracé te veroveren, dat prompt werd omgedoopt tot de Bagdad Railway.
De koloniale reiziger stapte hier op de Basra Express, de sneltrein naar Basra.

Wie deze zomer in Irak op de trein stapt, kan niet om die geschiedenis heen. Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat de Engelse diplomaat Mark Sykes en zijn Franse tegenspeler François Georges Picot een omstreden herenakkoord sloten over de opdeling van het Midden-Oosten. Met boekhouderprecisie verdeelden Engeland en Frankrijk de economische schatten van het voormalige Ottomaanse rijk: de rivieren, de havens en natuurlijk ook de spoorlijnen.

De spoorlijn van Europa naar Bagdad, was bij deze herschikking van het Midden-Oosten van zo’n cruciaal belang dat daaraan in het Sykes-Picot akkoord een apart artikel is gewijd. De spoorweg groeide uit tot meer dan een felbevochten transportroute: het werd de grens tussen twee geheel nieuwe landen, Turkije en Syrië.
De rails van de Bagdad-spoorlijn markeren hier tot op de dag van vandaag over honderden kilometers het begin van de Arabische wereld.

Het was de tijd van Lawrence of Arabia: Engelse en Franse diplomaten zetten zich na 1916 ijverig aan de tekentafel. Zonder veel oog voor de belangen van de lokale bevolking, herschreven ze de geschiedenis in het Midden-Oosten door hier een complete waaier aan nieuwe landen te bedenken: Israël, Libanon, Syrië, Jordanië, Saoedi-Arabië en inderdaad, ook Irak.

Op het Centraal Station van Bagdad, onder het koepeldak met de vorm van een Britse legerhelm, met uitzicht op de antieke Duitse stoomlocomotief, hangen honderd jaar na dato overtollige machinisten rond op bankjes, hopend op weer eens een rit in de cabine. Tegenwoordig vertrekt hier nog één trein, elke avond om 18.30 uur. De sneltrein naar Basra.
Een eeuw nadat de Britten hier het spoor hebben veroverd, zijn alle routes afgesneden naar de rest van het Midden-Oosten. De trein doorsnijdt een verscheurd Irak. De Koerden dromen over hun eigen staat, strijders van IS verdedigen met bloedige aanslagen hun kalifaat, sjiitische milities veroveren grond op soennitische burgers, van oudsher de machthebbers in het land, die niet weten waar ze naartoe moeten vluchten.
Hoe ziet Irak eruit vanuit de laatste trein? Machinist Raed maakt zich geen illusies. ‘Dit land valt uit elkaar.’

De auto staat langs het spoor. Raed lijkt te aarzelen: is het wel verantwoord om verder te rijden? De trein, met minstens honderd passagiers aan boord, stevent bijna recht op het voertuig af. Hij doet opnieuw het enige dat een Iraakse machinist in zo’n situatie kan: toeteren, een laatste keer, een explosie van geluid.
Maar de auto verplaatst zich niet.
Yas, die nog slechts drie tanden in zijn mond heeft, hangt naast hem uit het raam, je kunt er best langs, gebaart hij. Bij de bomexplosie negen jaar geleden had hij gebroken botten in zijn gezicht. Maar als je doorvraagt, haalt hij alleen zijn schouders op. In de trein in Irak is geen plaats voor bange mensen.

Drie, twee, één. Ze zijn de auto gepasseerd. ‘Dit is de lijn naar het zuiden’, lacht Yas. ‘Het is hier heel veilig.’
Dan zit hij alweer met zijn gezicht tegen het glas gedrukt, te kijken naar nieuwe obstakels op de route. In deze arme streek onder de stad Iskanderija is de komst van de trein de gebeurtenis van de dag. Bewoners komen hun huizen uit om te zwaaien, roken waterpijp langs het spoor. Kinderen en geiten rennen met de trein mee.
‘Steeds zijn er auto’s, mensen en dieren die oversteken’, zegt Yas. ‘We moeten wakker blijven en opletten.’

Hoe moeilijk de omstandigheden ook zijn, de Iraakse Republikeinse Spoorwegen doen er alles aan om deze laatste route te exploiteren in stijl. De trein naar Basra is geen oud boemeltje, maar een gloednieuwe hogesnelheidstrein, twee jaar geleden geïmporteerd uit China, met een slanke neus, hypermoderne elektronica en een topsnelheid van wel 160 kilometer per uur.
Maar door de auto’s, mensen en dieren op het stokoude spoor rijdt de trein vaak niet harder dan stapvoets.

Dat de laatste trein in Irak een nieuwe is, vindt men op het station in Bagdad een logische zaak. ‘Wij gaan uitbreiden’, had directeur-generaal Salam Salom erover gezegd. ‘De snelheid op het spoor moeten we verhogen. We gaan ook de verbinding met Syrië en Turkije weer herstellen.’

De vergaderzaal van de directeur-generaal, in een zijbeuk van het station, bevat een meterslange uitstalling van verse roze rozen. Met uitzicht op deze bloemenzee had de directeur-generaal gezegd: ‘De situatie in Irak moet eerst wel worden opgelost.’

Felle beeldschermen

De machinisten, die tientallen jaren lang afgedankte Franse wagons hebben rondgesleept naar alle uithoeken van het Midden-Oosten, zijn blij met de nieuwe trein: er is airconditioning en hun kleren blijven schoon. Maar Raed ziet ook een nadeel: al die moderne beeldschermen in de machinistencabine! ‘Het licht is ’s nachts te fel.’ Gelukkig heeft hij daar een oplossing voor gevonden: op rechte trajecten gaat er gewoon een vuilgeel kleedje over de moderne kilometerteller.

Twee jongens zitten op het spoor, hun rug van de trein gekeerd, ze zullen pas op het allerlaatste moment wegspringen, als het bijna te laat is, met een behendigheid die verraadt dat ze dit spel elke avond doen.
Toettoettoettoet. Daar gaat Raed alweer, met zijn volle gewicht op de claxon.
In zijn getoeter klinkt ergernis door. Hij houdt niet van deze rit naar Basra, in het uiterste zuiden van Irak. Raed komt zelf uit het noorden. Om precies te zijn: hij is een Koerd uit Erbil, de hoofdstad van de Koerdische regio in Irak. ‘Als een Koerd uit Erbil vind ik het moeilijk om hier te werken. De mensen zijn anders in het zuiden. Het doet me wat om hier te zijn.’
De twee jongens zijn van het spoor vertrokken. Ja, wat is het toch met het zuiden van Irak als je een Koerd bent uit Erbil? Ineens weet Raed het: ‘Het is hier verder weg van de moderne beschaving.’ Jarenlang reed hij over routes die hem beter bevielen, zoals tot vijf jaar geleden naar Aleppo, Syrië. Het treinstation in deze tweede stad van Syrië heet ‘Bagdad’.

In Irak klinkt honderd jaar na Sykes-Picot de roep om het door religieuze conflicten geplaagde land in drieën te delen: één regio voor de Koerden, een tweede voor de soennieten, een derde voor de sjiieten. ‘Het is voor iedereen beter als we ons afscheiden’, zegt Raed. ‘Er is te veel bloed vergoten. Soennitische machinisten op de trein kunnen nu niet eens naar Sjiitische delen. Laten we dit land opsplitsen.’
In de cabine vallen zijn woorden hard. Qassim, die zijn dienst niet draait in uniform, maar in een verwassen poloshirt, omdat hij vandaag eigenlijk vrij zou zijn, maar nu toch werkt omdat zijn vrouw dat praktischer vond, kijkt opgelaten. Het Zuid-Iraakse Basra is weliswaar een stad waar hij het ‘nog geen week uithoudt’, maar ja, zijn vrouw komt daar vandaan, dus nu woont hij er plotseling zelf ook.
Zachtjes zegt hij: ‘Het gaat steeds slechter in Irak, maar als Allah het wil, zullen we één land blijven. We zijn toch allemaal moslims.’

Yas, de oudste, houdt zich op de vlakte. Nog een jaar of wat, dan mag hij met pensioen. In tegenstelling tot veel andere Iraakse machinisten komt Yas niet uit een familie waarin het beroep overerfde van vader op zoon. Eigenlijk wilde hij een baan zoeken bij het ministerie van Olie, maar een vriend raadde hem begin jaren tachtig de spoorwegen aan als ‘leuk werk’, want dan reis je in Irak overal naartoe.
En, is het bevallen, deze drie decennia op de trein? Yas, na een lange stilte: ‘Het is een soort van leuk werk.’

Goedkoop, met airconditioning

De drie machinisten ontmoeten zelden de passagiers die ze vervoeren. Daarvoor is het doorsteekje vanaf hun cabine naar de treinstellen te onaantrekkelijk. Zelfs als je, zoals Raed, na zoveel jaren op de trein tredvast bent geworden, loop je onderweg toch altijd het risico om halverwege te struikelen en tegen het gloeiend hete machineblok te vallen.
Het is een schoonheidsfoutje op de nieuwe trein, die vol zit met Irakezen uit alle lagen van de bevolking. Er is een ‘toeristenwagon 2de klasse’ met gewone stoelen, vanaf 9.000 dinar, omgerekend 7 euro. Vanaf ruim 50 euro zijn er ook chique slaapcoupés met eigen sanitair en zelfs een koelkastje, waar welgestelde families op bedden zitten die zijn opgemaakt met keurige witte lakens.

‘Vroeger hadden treinen geen airconditioning’, zegt politieman Mehdi Mohsin. ‘Ik ben niet pessimistisch. We moeten het een beetje tijd gunnen, we hebben al zo veel problemen overwonnen.’ De keuze om per spoor naar Basra te reizen, was voor hem gemakkelijk: naast een duur vliegticket of een hachelijke rit met de auto steekt de trein – goedkoop, met airconditioning – gunstig af.

Vijftien dagen vechten, tien dagen thuis

In de restauratiewagen hangen jonge militiesoldaten rond: een geblokte keffiyeh om de schouder, de tienerjaren nauwelijks ontgroeid. In de gang tussen twee treinstellen bidden sommigen op hun knieën. Nu de Iraakse staat langzaam afbrokkelt, heeft het officiële leger steeds minder te vertellen. De meeste jongemannen die vechten tegen IS, horen bij een organisatie die zich laat vertalen als de ‘Volksmobilisatie’: een los verband van sjiitische militiegroepen, niet zelden diepreligieus, die zich sinds kort nadrukkelijk manifesteren in de soennitische delen van Irak.

Een commandant van de machtige sjiitische Badr-militie, Abdul Radha Hussein (54), luistert in een hoekje van de trein naar Egyptische popmuziek. Hij is zojuist teruggekeerd van een missie in de Makhul-heuvels richting Mosul, de hoofdstad van IS in Irak. Zo ziet zijn leven eruit: vijftien dagen vechten, in de trein Egyptische liedjes luisteren, tien dagen thuis.
Irak blijft niet bestaan, maar voor dit land komt iets mooiers terug, verwacht hij. Ga maar na: sjiitische strijders zoals hij zullen alles veroveren. ‘Als de verlosser komt, zullen ook de Amerikanen, Nederlanders en zelfs de Israëliërs moslim worden. De wereld wordt uiteindelijk één groot moslimland. Zo staat het voorspeld in mijn boek.’

Mannensamenleving

Meer zorgen maakt hij zich om zijn enige dochter, Fatme van 17, die gaat trouwen. Het is een enorm gedoe geweest om een echtgenoot voor haar te vinden. ‘Ik heb wel met zes of zeven mannen gepraat. Ik kijk dan vooral hoe ze tegen de Koran aan kijken. Bij de laatste zat dat goed. Ik bepaal wie haar echtgenoot wordt, want dit is een mannensamenleving. Maar haar aanstaande echtgenoot heeft een groot huis en een goede baan, dus zij is zelf ook akkoord.’
Alleen rijst nu een nieuw probleem: de verloofde van zijn dochter blijkt er geen bezwaar tegen te hebben dat Fatme, die nog op school zit, na haar huwelijk verder gaat met haar studie. ‘Maar dat zie ik zelf niet zitten. Als zij eten voor hem moet koken en ze zit nog in de collegebanken, dat wordt lastig. Ik ben daarover met hem in gesprek.’

img_0856Veel passagiers stappen uit bij de eerste belangrijke stop op de route: het betonnen station van de arme woestijnstad Nasiriyah. In de machinistencabine moppert Raed alvast over alle stations die nog volgen. Liever zou hij direct doorrijden. ‘Stations zijn voor ons een beetje als de vijand.’
Al gauw wordt duidelijk waarom. Bij elk station verandert de trein in een tijdmachine. Het begint met de verlichting in de machinistencabine: aan en gelijk weer uit, licht-donker. De Iraakse spoorwegen doen niet aan radio, maar nu weet de stationschef in de verte toch dat hij naar buiten moet, om klaar te staan voor wat komen gaat.
De hogesnelheidstrein is berekend op een spoorwegnet met automatische signalering. Zoals de meeste landen ter wereld had Irak ooit iets wat daarop leek. Maar na de Eerste Golfoorlog in 1991 maakte dit plaats voor een oeroud systeem, dat hier een eeuw geleden moet zijn geïntroduceerd door een van de heersende Europese machten.

De folklore gaat van start zodra het station nadert, en Qassim het raam opendraait. Voor wat hij nu gaat doen, heeft hij, naar eigen zeggen, ‘een half jaar training gehad’.
Terwijl hij uit het raam klimt, passeert de hogesnelheidstrein stapvoets de stationschef. Die omklemt in zijn ene hand een zaklamp en houdt met de andere hand een attribuut in de lucht dat nog het meeste lijkt op een groot tennisracket. In het midden van het racket, op een uitstulping, zit een briefje geprikt. Gelukt! Qassim, zijn lichaam hangend uit de rijdende trein, is er in geslaagd het briefje te pakken.
Vervolgens is het de beurt aan Raed: hij strijkt het papier zorgvuldig glad, bestudeert de inhoud ervan alsof het een moeilijk examen is, en klemt het briefje tot slot onder een knijper. Alle briefjes samen wapperen in de warme woestijnwind – in de machinistencabine is de airconditioning uitgevallen, en om twee uur ’s nachts is het buiten 33 graden.

Op de briefjes staat dat het spoor vrij is. Dat is geen verrassing, want er rijdt slechts één andere trein in Irak: die dagelijks in omgekeerde richting van Basra naar Bagdad pendelt. Maar die is al uren geleden gepasseerd. Toch levert Raed het hele pakket papier straks in bij de spoorwegautoriteiten op het station van Basra. ‘Ter controle.’
Waterdicht is dit systeem natuurlijk niet. Soms ligt de stationschef te slapen, dus dan is er geen briefje. Plichtmatig toetert Raed dan even. Maar hij maakt zich hierover niet druk: in Basra weten ze best dat er van de ruim dertig stations altijd vier tot zes zullen zijn waar de beheerder die nacht toevallig niet wakker is geworden.

De koplampen van de nieuwe Chinese trein werpen alleen een vaag licht over de rails: als hier iets onverwachts gebeurt, zie je het vermoedelijk te laat. In de dorpen die de trein passeert, zijn de inwoners naar bed. Raed hoopt dat ze daar blijven. ‘Ze bekogelen soms de trein met stenen.’ Ook maakt hij zich zorgen om de auto’s die hij hier kan tegenkomen. Gevaar voor aanslagen is hier niet, maar op dit deel van de route heeft hij wel te maken met ruim 220 illegale spoorwegovergangen.
Directeur-generaal Salam Salom in zijn werkkamer vol rozen benadrukte het al: het grootste gevaar dat de Iraakse spoorwegen bedreigt, is niet Islamitische Staat, maar de onophoudelijke plaag van personenauto’s die naast en over het spoor rijden.
Als een mantra herhaalt Yas de gouden regel van de Iraakse Republikeinse Spoorwegen: ‘We kunnen niet stoppen voor auto’s die oversteken. Anders krijgt de trein nooit meer voorrang.’

In de tijd van Saddam Hoessein zouden ze zo’n auto desnoods hebben aangereden – een trein is altijd sterker. Maar zelfs dat is geen echte optie meer. De machinisten zijn bang dat nu de landelijke overheid zwak is, de sjeiks van de stammen die in Zuid-Irak heersen, verhaal zullen komen halen op het Centraal Station van Bagdad.
‘Dan gaan ze geld vragen van mij persoonlijk’, schampert Raed. Leefde Saddam nog maar. ‘De dagen van Saddam waren mooi. Er waren regels. De stammen hadden minder te zeggen. Voor het spoorwegpersoneel bestond nog ontzag. We werden nooit met stenen bekogeld.’

Bij de eeuwenoude marktstad Souk al Shyoukh begint het diepe zuiden. Op dit deel van het traject rijdt de trein nu precies honderd jaar. Hoe weinig er is veranderd, blijkt uit de bewaarde brieven van Gertrude Bell, de Britse diplomate en spionne die de architecte is van het huidige Irak. Bell schetste het nieuwe land na de Eerste Wereldoorlog in grove streken, soennieten, sjiieten en Koerden bij elkaar.
De zuidgrens van Irak bepaalde ze in december 1921 in één morgen, waarbij ze zelf twijfelde of ze bij het tekenen van de grens wel rekening had gehouden met alle tribale spanningen in de regio, maar het was toch ‘een welbestede ochtend’.
De trein naar Basra is een terugkerend thema in de brieven van Bell. In november 1916 maakte ze haar eerste rit over het dan zojuist veroverde tracé, met een nog provisorische nachttrein. ‘Als ik ooit, over vele jaren, terugkom in dit land en naar Bagdad reis met de Basra Express, zal ik me herinneren, terwijl ik mijn chique diner nuttig in de restauratiewagon, hoe ik de eerste keer deze route aflegde in een bewakerswagon, en een avondmaal tijd van ingeblikte tong, ingeblikte boter en ingeblikte peren at bij het licht van de lantaarn van de stationschef.’

Anno 2016 serveert de restauratiewagen alleen kartonnen broodjes hamburger en slappe friet. Onderweg door een land waarvan de in één ochtend getrokken grenzen wankelen, langs stationnetjes waarvan de beheerders nog precies zoals een eeuw geleden klaarstaan met een lamp in de hand, moeten de machinisten het doen met een kop zelfgemaakte thee. Raed vraagt: ‘Veel suiker of een beetje?’
Dan steken ze een sigaret op. Dat mag, aan boord van deze trein.

Als rode bollen aan de horizon worden de olievelden van Zuid-Irak zichtbaar. ‘Basra’, mijmert Raed zachtjes voor zich uit. Het zal nog tweeënhalf uur duren voordat de trein daar aankomt, een rit door moerasgebieden die Saddam Hoessein ooit deels heeft laten verwoesten, om de stammen tot gehoorzaamheid te dwingen. ‘Hier kunnen niet alleen auto’s op het spoor komen, maar ook wilde dieren’, huivert Raed.
Maar met de olievelden in zicht, komt de nacht ten einde. Als Raed om 3.48 uur het seinbriefje aanpakt bij het piepkleine station van Al Tuba, breekt de lucht. Nu pas is te zien dat bij veel stations treinwrakken staan opgesteld: roestig, over elkaar geschoven, met kapotgeslagen ramen. Irak blijkt een groot spoorwegkerkhof.

Hij laat foto’s zien van het verwoeste huis van zijn familie in de Noord-Iraakse stad Baiji, waar hij oorspronkelijk vandaan komt, voordat hij naar Erbil verhuisde. Eerst nam IS het familiehuis in 2014 kortstondig in bezit, daarna is het opgeblazen door wat hij omschrijft als een ‘foutje van de Amerikanen.’
Raed droomt steeds vaker over Europa. Een oom van hem is al gevlucht naar Duitsland, het land dat ooit het treinspoor bedacht waarop hij nu werkt. O ja, hij zou alles opgeven, zelfs de gouden epauletten op zijn schouders, om in Duitsland te mogen werken. ‘Mijn oom heeft een kruidenierswinkel waar ik aan de slag kan.’
Qassim trekt zijn kleren omhoog: grote littekens op een been en middenrif, opgelopen bij de bomaanslag op de trein in 2011. Na drie maanden was hij weer aan het werk, alsof er niets gebeurd was, want hij had het inkomen nodig. ‘Met de verwondingen die ik opliep, had ik kunnen emigreren naar elk land dat ik zou willen. Maar dat doe ik niet, want ik hoor hier in Irak.’

Raed schudt zijn hoofd. Beide mannen zijn het wel vaker oneens.
Neem de koe die voor hen op het spoor staat. Wat doe je met een koe? Net als met auto’s, vindt Raed: flink toeteren, daarna doorrijden. ‘Koeien zijn irritant, en voor ons een zorg.’ Wat hem betreft stopt de trein niet voor een koe, anders leren ze hun plaats niet kennen en staat straks het hele spoor vol koeien.
Toettoettoettoet. Daar haalt Raed de snelheidshendel over, recht op de koe af, die onverstoorbaar kijkt.
‘Niet doen!’ gilt Qassim.
Een koe, vindt hij, vereist een andere benadering dan een auto. Wacht, hij gaat nu laten zien hoe het wel moet. Terwijl in de Iraakse ochtendschemer de hemel net zo beige kleurt als de woestijn eronder, klimt Qassim uit het treinraam en schreeuwt tegen het beest: ‘Ga, ga!’ Het duurt lang, Raed schudt gniffelend zijn hoofd, maar uiteindelijk begrijpt de koe het. Het is gelukt, de weg naar Basra is vrij.

Vlak voor 5 uur ’s ochtends, na een rit van tien en half uur, loopt de trein de stad binnen. Raed kijkt nog snel de stapel seinbriefjes door, met een routine die alleen een spoorwegkapitein van de derde generatie kan hebben. Zijn oudste zoon is 17 en heeft er bijna de leeftijd voor, maar er is geen denken aan dat hij hem straks opvolgt op de trein. ‘Als hij dit werk wil doen, zal ik dat niet accepteren.’

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
ana-van-esAna van Es (1985) is Midden-Oostencorrespondent van de Volkskrant. Ze woont in Beiroet, Libanon en werkt in de hele Arabische wereld. Voor haar reportages aan het front met Islamitische Staat, van Libië (Sirte) tot Irak (Mosul, Falluja) was ze dit jaar een van de genomineerden als Journalist van het Jaar.

Van Es studeerde Nederlands recht in Groningen. Ze leerde het journalistieke vak bij de Universiteitskrant Groningen en het Hoger Onderwijs Persbureau in Leiden. Sinds 2010 werkt Van Es bij de Volkskrant. Ze begon daar als op een werkervaringsplaats voor jonge journalisten. Van 2011 tot 2014 was ze regiocorrespondent Noord-Nederland, met als standplaats Groningen. Als algemeen verslaggever maakte ze onder meer een dagelijkse serie vanuit de Griekse stad Drama, tijdens de financiële crisis daar. Ze is Midden-Oostencorrespondent sinds maart 2016.

Waarom dit verhaal?

De gloednieuwe hogesnelheidstrein kan vaak maar stapvoets rijden, een tempo dat doorklinkt in de schitterend geschreven verhalende reportage van Ana van Es. Met Van Es maken we de tien en een half uur durende treinreis mee van Bagdad naar Basra – een reis door de nacht, vol obstakels, door een onttakeld land, een afbrokkelende natie. Mooi verweven met de reis is de geschiedenis van de spoorlijn, met daaraan verbonden het relaas over het Sykes-Picotverdrag van 1916 dat de kiem werd voor de kunstmatige creatie van de staat Irak.

Aan boord van de trein verbeelden de drie machinisten in de cabine en de passagiers in de coupé de grote culturele diversiteit die het land zo ingewikkeld maakt. Als personage volgen we vooral machinist Raed, we leren hem kennen terwijl hij zijn werk doet en de Basra Express naar het eindpunt loodst.

In sprekende scènes, met humor, vervreemding en prachtige details – het vuilgele kleedje, de wapperende controlebriefjes – maakt Van Es de reis ook voor de lezer tot een indringende ervaring. ‘In de trein in Irak is geen plaats voor bange mensen’, schrijft ze. De openingsscène zorgt direct voor spanning: wat doet die stilstaande auto daar, vlak bij het spoor?

Toelichting van de maker

Mouataz, mijn fixer in Irak, is niet enthousiast als ik hem vertel over mijn plan: meerijden op de laatste trein in Irak. Die trein vertrekt elke avond om halfzeven vanaf het Centraal Station in de hoofdstad Bagdad naar de zuidelijke havenstad Basra, een nachtelijke rit van bijna elf uur, dwars door het door oorlog en terreur geteisterde land.

Met de trein naar Basra? Onzin, vindt Mouataz. Laten we vliegen, of met de auto. Dat gaat sneller en is maar een beetje duurder. Lees meer

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

Einde op de Everest

Afgelopen voorjaar kwamen op de flanken van de Mount Everest onder leiding van de ervaren Nederlander Arnold Coster twee klimmers om het leven. Rik Kuiper maakte een reconstructie van de zeldzaam rampzalig verlopen tocht door de ogen van de langzaam onzekerder wordende expeditieleider. Wat een berg met een mens doen kan.

Mount Everest, Zuidcol (8.000 meter)

19 mei 2016, 16 uur

De zon prikt, de wind waait straf en het is 30 graden onder 0. De acht klimmers van het team van Arnold Coster (40) rusten in de koepeltentjes die zijn opgesteld tussen de stenen. Binnen smelten de ingehuurde sherpa’s op gasbrandertjes brokken sneeuw. In de zes uur dat de expeditieleden hier zijn, moeten ze een paar liter drinken. Vanavond beginnen ze eindelijk aan hun toppoging.  

Coster houdt zijn mensen nauwlettend in de gaten op deze vlakte, waar de Lhotse en Mount Everest elkaar raken. Elke paar uur maakt hij een rondje langs de drie vrouwen en vier mannen die hem ieder enkele tienduizenden dollars betaalden om hun droom waar te maken. Om te kijken of ze niet verward zijn, voert Coster korte gesprekken. Bij sommigen controleert hij of de bloedwaarden nog goed zijn.

Hoogteziekte ligt tijdens de hele klim op de loer. Met elke meter stijging neemt de hoeveelheid zuurstof in de lucht af, waardoor je hoofd wazig wordt, je adem gaat knellen en je spijsvertering hapert. Boven de 7.500 meter wordt het nijpend. Ondanks de zuursofflessen takelt het lichaam met elke ademhaling af. Een klimmer kan er hooguit een paar dagen doorbrengen. Bergbeklimmers noemen dat gebied de Zone des Doods.

In een van de tentjes treft Coster Eric Arnold (36), die hij na eerdere expedities meer als een vriend dan als een klant beschouwt. Arnold zit er ontspannen bij, al had hij eerder die dag wat problemen bij het bereiken van dit kamp. Waarschijnlijk stond zijn zuurstoftoevoer niet ver genoeg open.

kuiperill3Coster zet zijn saturatiemeter op een vinger van Arnold. Zijn hartslag in rust ligt rond de 100. Op deze hoogte, waar het lichaam hard moet werken om voldoende zuurstof rond te pompen, is dat normaal. Net als de zuurstofverzadiging van 80 procent. In Nederland zou dat genoeg zijn voor een opname op de intensive care, maar voor een getrainde klimmer op 8.000 meter is het prima. Minder dan 75 procent is reden tot zorg, weet Coster. En daalt het onder de 70 dan moet een klimmer zo snel mogelijk naar beneden.

Ze nemen de schema’s nog eens door. Met zijn drie zuurstofflessen heeft Arnold in principe voldoende voor 24 uur, zegt Coster, mits hij het apparaat op 2 liter per minuut instelt. Als hij een uur eerder dan gepland op het Balkon is, kan hij zichzelf belonen. Dan mag hij tot aan de Zuidtop naar 3 liter per minuut.

De expeditieleider vervolgt zijn ronde. Het ziet er prima uit, denkt hij. Het weer is goed, het is niet druk op de berg en dit is een bijzonder sterk team. Morgenochtend moeten ze alle zeven de top kunnen halen.

19 mei, 18 uur

Alles gaat langzaam op 8.000 meter hoogte. In een krap tentje kun je zo een uur bezig zijn om een paar droge sokken aan te trekken, bergschoenen om je voeten te sjorren, je rugzak in te pakken, je zuurstofmasker op een volle fles aan te sluiten en je hoofdlamp om te doen. Eenmaal buiten moet je dan ook nog de stijgijzers onder je schoenen binden.

De nestor van het gezelschap, de 58-jarige arts Pieter van den Broeke, is als eerste klaar. Omdat hij een van de langzamere klimmers is, vertrekt hij om half zeven, vergezeld door twee sherpa’s.

Kort daarna staat ook Eric Arnold buiten. Dit wordt zijn vijfde poging om de Mount Everest te beklimmen. De eerste keer stormde het zo hard dat hij nauwelijks op zijn benen kon blijven staan. Hij moest 250 meter onder de top omkeren – drie of vier uur verwijderd van zijn jeugddroom. Dat bleek een verstandige keuze. Andere klimmers stierven die dag.

De jaren daarna had Arnold steeds pech. Een keer scheurde hij vlak voor vertrek naar Nepal zijn achillespees, een keer doorkruiste een lawine zijn plan en vorig jaar werd hij in het basiskamp overvallen door een aardbeving.

Coster schudt hem de hand, wenst hem succes. Geen gekke dingen doen, zegt hij.

Zelf blijft Coster achter in het kamp, om de boel van afstand in de gaten te houden. Hij hoeft niet zo nodig naar de top, hij heeft er al drie keer gestaan tijdens twaalf expedities, een prestatie die geen Nederlander hem nadeed. Als klimmer is hij ook een beetje op deze berg uitgekeken. Hij haalt er meer voldoening uit anderen hun droom waar te laten maken. Dat gaat het best vanuit zijn tentje in kamp 4, vindt hij. Van daaruit kan hij radiocontact houden met zijn klimmers. En in geval van nood kan hij met een sherpa in actie komen.

Een voor een verlaten ook de andere klimmers de Zuidcol, onder wie Costers vrouw Maya. Tien jaar geleden trouwde hij met de Nepalese, met wie hij een dochter kreeg. Ze wonen in Kathmandu.

Coster ziet de lichtjes over de duistere helling schuiven. Daar gaan ze, die mensen die zich niet lieten wegjagen door immense kou en schrille stormen, die er een kick van krijgen een top te bereiken waar de lucht zo ijl is dat er geen helikopter kan landen, die niet schrikken van statistieken die zeggen dat de laatste jaren twee op de honderd klimmers sterven op de flanken van de berg.

Als laatste bindt het Australische echtpaar Robert Gropel (36) en Marisa Strydom (34) de stijgijzers onder. Met drie sherpa’s beginnen ze aan de klim.

Dan kruipt Coster zijn tent in.

20 mei, 6 uur

Het eerste bericht dat er iets mis is met Eric Arnold, ontvangt Coster tegen zonsopkomst. Door de radio vertelt Pasang Sherpa dat Arnold zich net boven de Zuidtop bevindt, op een hoogte van circa 8.750 meter, ruim een uur onder de top. Hij heeft maagkrampen, zegt Pasang.

Arnold had een paar dagen eerder soortgelijke problemen. Op weg naar kamp 2 kreeg hij last van diarree. Coster gaf hem antibiotica en vroeg hem of het zinvol was zijn toppoging een paar dagen uit te stellen. Toen de stoelgang de volgende ochtend normaal was, besloot Arnold toch mee naar boven te gaan.

Hij voelt zich wat traag, voegt Pasang toe.

Het tempo van zijn vriend ligt inderdaad laag, constateert Coster. In zijn gebruikelijke tempo zou hij al op de top hebben gestaan, net als een paar anderen uit de groep. Vandaag loopt hij met de tragere klimmers.

Kan Eric nog door, vraagt Coster door de radio aan de sherpa. Of heeft hij het gevoel dat hij moet omkeren?

Hij voelt zich goed genoeg om door te gaan, antwoordt de sherpa.

Geef hem wat meer zuurstof, zegt Coster. Er is genoeg.

Coster maakt zich geen zorgen. Arnold klimt nog in een groep en die groep ligt voor op het langzaamste schema.

Wat kan hij ook anders? In deze fase van de klim ligt de verantwoordelijkheid bij de klimmer. Als er geen tekenen zijn van hoogteziekte – verwardheid, ongecontroleerde bewegingen – moeten mensen zelf beoordelen of het verstandig is door te gaan. En Arnold kan dat. Hij was bij zijn eerste beklimming van de Mount Everest toch ook omgedraaid, met de top al in zicht?

En dus gaat Coster door met het smelten van sneeuw in zijn tent.

20 mei, 8 uur

Rond de tijd dat Eric Arnold en Pieter van den Broeke op de top staan, hoort Coster via de radio dat Marisa Strydom het moeilijk heeft. De 34-jarige Australische universitair docent, is nog onderweg naar boven. Gezien haar conditie vindt Nima Sherpa het verstandiger als ze omdraait, maar zelf denkt ze daar anders over.

Het is echt beter als je terugkeert, zegt Coster door de radio tegen Strydom.

Nee, dat wil ik niet, antwoordt ze. Haar man Rob gaat ook door.

Je bent na de afgesproken tijd op de Zuidtop, zegt Coster.

Ik draai niet om.

Wat moet Coster doen? Normaal zou hij in dit soort gevallen ‘een beetje dreigen met de dood’, zoals hij later zou zeggen. De gevaren benadrukken, een klimmer eraan herinneren dat hij familie thuis had zitten. Maar ja, dat is in dit geval lastig. Haar man loopt immers ook op de berg. En kinderen hebben ze niet.

kuiperillIk heb de indruk dat je symptomen van hoogteziekte hebt, zegt Coster. Elk uur dat je boven bent, brengt je verder in gevaar.

Ze reageert laconiek, haar brein vermoedelijk al wat verweekt door zuurstofgebrek.

Dit kan fataal zijn, probeert Coster.

Oké, sputtert Strydom. Ze zal met Nima omdraaien. Over en sluiten.

 

20 mei, 10 uur

Een oproep van Pasang Sherpa kraakt door de tent van Arnold Coster. Pasang meldt dat Eric Arnold nog altijd traag is. Geef hem nog wat meer zuurstof, zegt Coster, in de hoop dat Arnold daardoor sneller zou gaan dalen.

Maar het loopt anders.

Als de sherpa zich opnieuw meldt, nu vanaf het Balkon op 8.400 meter, beseft Coster dat Arnold het waarschijnlijk niet gaat redden met de hoeveelheid zuurstof die hij bij zich heeft. En dus besluit hij het enige te doen wat nog binnen zijn mogelijkheden ligt: hij stuurt een sherpa vanuit kamp 4 omhoog. Die kan er over ongeveer vier uur zijn, berekent hij, met een verse fles zuurstof. Er is nog niets verloren, weet Coster. Een getrainde klimmer als Eric Arnold kan best even zonder extra zuurstof.

20 mei, 14 uur

Coster verneemt dat Arnold op eigen kracht blijft dalen. Naar 8.300 meter, naar 8.200 meter. Dan meldt Niels van Buren (37) zich over de radio, de man die net als eerste manne-lijke MS-patiënt de top van de Mount Everest haalde. Eric zit zonder zuurstof, zegt Van Buren. Zal ik hem mijn zuurstof geven? Ze bevinden zich op een paar honderd meter boven de Zuidcol, enkele uren van kamp 4. Nee, zegt Coster, doe maar niet. Dan zit jij straks ook met een probleem.

Coster ziet hoe de sherpa met de extra flessen de berg op loopt en uiteindelijk Arnold bereikt, die minstens een halfuur zonder zuurstof heeft gezeten.

Dit is toch wel vreemd, denkt hij. Nooit eerder zag hij iemand tijdens de afdaling zo instorten.

20 mei, 14.30 uur

Ze heeft dus niet geluisterd. Via de radio hoort Coster dat Marisa Strydom niet direct aan de afdaling is begonnen, zoals ze hem beloofde. In plaats daarvan is ze blijven rondhangen op de berg.

Toen haar man van de top terugkeerde, trof hij Strydom op een hoger punt dan hij verwachtte. Nima Sherpa had haar in de tussentijd niet kunnen overtuigen naar beneden te gaan.

Strydom is wankel, warrig, agressief, hoort Coster als het stel voorbij de Zuidtop is. Her-senoedeem, denkt hij meteen. En dus spoort hij Gropel aan zijn vrouw dexamethasone te geven. Iedereen heeft het medicijn meegekregen, het medicijn dat de hersenen doet krimpen, waardoor de gevolgen van hoogteziekte verminderen. Met dex kun je tijd winnen, al is dat beperkt. Strydom moet zo snel mogelijk uit de Zone des Doods.

20 mei, 17 uur

Coster hoort iemand op zijn tent tikken. Als hij naar buiten stapt, ziet hij Eric Arnold.

Ik ben ontzettend moe, fluistert hij tegen Coster. Hij heeft ook last van zijn keel.

Voor de tent schuift de expeditieleider een vinger van Arnold in zijn saturatiemeter en leest de waardes af. De zuurstofverzadiging ligt nog altijd op 80 procent. Goed nieuws, denkt Coster. Geen longoedeem. Arnold geeft normaal antwoord. Geen hersenoedeem.

Coster brengt Arnold naar zijn tent, waar een sherpa aan het koken is. Hij helpt hem zijn stijgijzers en schoenen uit te doen en adviseert zijn vriend om veel te drinken en nog even aan de zuurstof te blijven hangen. Ook belt Coster naar Jorieke Casteleijn, de vriendin van Arnold, om te vertellen dat hij die ochtend de top heeft gehaald.

Intussen dollen ze een beetje met elkaar. Waarom deed je er nou zo lang over, rotjong?

20 mei, 21 uur

Coster zit in zijn tent water te koken, als hij Pieter van den Broeke hoort schreeuwen. De arts keerde kort daarvoor terug van de top, had nog even buiten thee zitten drinken en was toen zijn tent in gegaan. Arnold lag daar al even te rusten. Het gaat niet goed met Eric, roept Van den Broeke. Hij reageert niet!

Coster springt op, kruipt zijn tent uit en loopt door de schemering naar de andere tent. Daar ziet hij Arnold liggen: stil, koud, blauw. Hij schudt aan zijn lichaam, voelt zijn pols, zijn hals, zet de saturatiemeter op een vinger, schijnt met een lampje in zijn ogen. Maar hij weet het eigenlijk al. Dit heeft geen zin meer.

Coster begint te snikken. Hoe kan dit nou, hoe kan dit verdomme gebeuren? Eric Arnold was een van de sterkste klimmers van de groep. Dan loopt de expeditieleider naar zijn tent en haalt de satelliettelefoon. Twee uur na het eerste gesprek met Jorieke Casteleijn moet hij nieuws brengen dat hij twee keer eerder bracht tijdens de veertig expedities die hij organiseerde naar bergen hoger dan 8.000 meter. Casteleijn neemt op, luistert. Hij heeft zich dus doodgeklommen, zegt ze.

Coster begrijpt het ook niet, vertelt hij haar. Arnold was niet verward, had goede bloedwaarden, stierf onverwacht.

Hoe komt Eric beneden, wil Casteleijn weten. Coster hoort aan haar stem dat dit belangrijk voor haar is. Blijkbaar had Arnold van tevoren niet gezegd dat ze hem maar op de flanken van de berg moesten laten liggen, mocht hij onverhoopt sterven. Maar het zou lastig zijn het lichaam beneden te krijgen, een gevaarlijke exercitie waarvoor Coster het leven van zijn mensen op het spel moest zetten.

Dat weten we nog niet, antwoordt hij.

20 mei, 22 uur

Zijn vriend is overleden, maar Arnold Coster heeft geen tijd om te rouwen en geen tijd om te bedenken of hij iets fout gedaan heeft. Eerst moet hij de anderen veilig beneden zien te krijgen.

Marisa Strydom en haar man naderen met de drie sherpa’s het Balkon, hoort Coster door de radio. Hun afdaling verloopt uiterst traag.

Kan er een reddingsteam komen, vraagt Gropel door de radio. Het gaat niet meer.

Welk reddingsteam?, antwoordt Coster. Geen enkele expeditie heeft een groep van acht sherpa’s op de Zuidcol, die nodig zou zijn om snel een reddingsoperatie te doen. Coster denkt na. Dan besluit hij twee sherpa’s omhoog te sturen. Zij moeten het paar met extra zuurstof naar beneden loodsen. Dit zou ook wel eens verkeerd kunnen aflopen, zegt Coster tegen Maya, die na een geslaagde toppoging naast hem in de tent zit.

Via de radio houdt Coster contact met de sherpa’s. Hij hoort dat het steeds moeizamer gaat. Marisa valt om de haverklap, luistert niet naar aanwijzingen, wil steeds terug omhoog. Wat kan hij vanuit zijn tentje? Bind haar vast, zegt hij tegen de sherpa’s, als hij het ook niet meer weet. Laat haar voorzichtig op haar rug naar beneden glijden. En dat doen de sherpa’s – een aan de voorkant om te sturen, een aan de achterkant om te remmen.

21 mei, 2 uur

Daar zijn ze dan, de sherpa’s die Marisa Strydom 31 uur na haar vertrek het kamp in laten glijden. Coster kijkt toe, helpt haar naar de tent te tillen, waar haar man al twee uur ligt bij te komen. Coster dient de vermoeide Strydom meer dex toe. Ook geeft hij haar zuurstof. Omdat ze onderkoeld is, stoppen ze waterflessen met warm water onder haar oksels en in de binnenzakken van haar donspak.

Zal dat nog helpen?

21 mei, 6 uur

Als hij terugkeert naar zijn tent, geeft Coster niet veel meer voor haar kansen. Samen met drie sherpa’s sleept Coster het levenloze lichaam van Eric Arnold met slaapzak en al de tent uit. Coster ademt zwaar, zijn hart maakt overuren na twee nachten in de Zone des Doods. Hij en zijn vrouw hebben een groot deel van hun eigen zuurstof opgegeven voor de reddingsacties.

Coster en de sherpa’s leggen het lichaam achter een grote steen. Daar is de officieuze begraafplaats van de Zuidcol, er liggen drie of vier klimmers die bij eerdere expedities om het leven zijn gekomen. Ze stapelen een paar vlakke stenen op het lichaam van Arnold. Dan neemt Coster wat foto’s voor de familie. De kans bestaat dat dit de laatste rustplaats van Arnold wordt, hoe graag zijn vriendin ook wil dat zijn lichaam naar Nederland komt.

Veel emotie voelt Coster op dat moment niet. Daar krijgt hij niet genoeg zuurstof voor binnen. Bovendien moet hij voorkomen dat er meer slachtoffers vallen. Coster loopt terug naar het kamp en ziet tot zijn verbazing dat Marisa Strydom naast haar tent staat. De medicijnen en die paar uur rust hebben haar blijkbaar goed gedaan. Nee, ze weet niet wat er de avond daarvoor gebeurd is, maar ze spreekt coherent. Is er dan toch nog een kans om haar op tijd naar een hoogte te brengen waar een helikopter kan landen?

Lhotsewand (7.800 meter)

21 mei, 8 uur

Arnold Coster ziet hoe Marisa Strydom naar beneden wankelt, aan beide zijden ondersteund door een sherpa. Zo dalen ze de Lhotsewand af, tergend langzaam. De anderen uit het team zitten al lager. Een paar klimmers, zoals Niels van Buren, waren direct na hun toppoging afgedaald naar kamp 2, wat de voorkeur verdient omdat dat kamp buiten de Zone des Doods ligt. Pieter van den Broeke overnachtte wel in kamp 4 en ging eerder die ochtend al naar beneden.

Coster en zijn vrouw dalen met Strydom en Gropel. Na een paar uur bereiken ze de Geneefse Pijler, een steil stuk rots waar ze moeten abseilen. Een voor een gaan ze naar beneden, Strydom met hulp van de sherpa’s. Onderaan haken de klimmers hun harnas vast aan een touw dat langs de route is bevestigd. Ze beginnen af te dalen naar de Gele Band – een gelige rotsformatie.

En dan gaat het mis. Strydom struikelt en glijdt naar beneden. Een paar meter lager staat het touw strak. Strydom ligt stil. Coster ziet hoe sherpa’s naar beneden klauteren, hoe ze haar terug het spoor op sjorren. Ze beweegt niet meer. Gropel, dierenarts van beroep, probeert zijn echtgenote te reanimeren. Hartmassage. Mond-op-mondbeademing. Hartmassage.

Dit is de druppel, denkt Coster. Het lichaam van Marisa Strydom verrichtte zo lang zo veel werk om te overleven in de Zone des Doods. Nu is het op. De uitgeputte Gropel beseft het ook. Daar zit hij dan, bij het lichaam van de vrouw met wie hij samen de seven summits wilde beklimmen, de hoogste toppen van elk continent. We moeten door, zegt Coster, die zijn best doet kalm te blijven. Je moet nu aan jezelf denken. En dus lopen ze even later weg bij het lichaam van Strydom. Ze moeten dalen, zonder na te denken, zo snel mogelijk, hoe langzaam dat ook is.

Later kunnen ze het lichaam misschien ophalen, denkt Coster, voordat een of andere idioot een foto neemt en die op internet zet, zoals met andere lichamen is gebeurd. Verslagen komen ze die avond in kamp 2 aan, twaalf uur nadat ze van de Zuidcol zijn vertrokken. Daar treft Coster de andere expeditieleden, die maar half hebben meegekregen wat er op de berg is voorgevallen. Misschien, mompelt Coster, moet ik maar een andere baan zoeken.

Basiskamp (5.300 meter)

23 mei, 15 uur

kuiperill2Na een dag rust zitten ze aan tafel in een grote tent in het basiskamp: Arnold Coster, zijn vrouw en de elf sherpa’s die hij voor deze expeditie heeft ingehuurd. Er zijn ook sherpa’s van andere teams aangeschoven.

Nu moet Coster nadenken wat hij met de lichamen van de twee overledenen gaat doen. Is het acceptabel om die van de berg te halen?, vraagt hij aan de aanwezigen. De risico’s van een bergingsoperatie zijn aanzienlijk. Reddingshelikopters kunnen boven de 6.500 meter niet vliegen, omdat de lucht daar te ijl is. Daarom moeten sherpa’s de lichamen het eerste stuk lopend naar beneden brengen. Omdat tillen niet gaat, snoeren ze zich met een paar man vast aan het lichaam, dat tussen hen in naar beneden glijdt. Wanneer het lichaam wegroetsjt, bestaat de kans dat de vastgeklonken mannen mee de diepte in getrokken worden.

Meestal hebben sherpa’s geen trek om hun leven hiervoor te wagen, weet Coster. Er zijn door de jaren heen misschien tien lichamen van de berg gehaald, tien van de ruim tweehonderd mensen die er sinds 1953 overleden zijn. Het gebeurt eigenlijk pas sinds berg-ingshelikopters naar kamp 2 vliegen.

En dan zijn er nog de financiën. Zuurstof kost 600 dollar per fles, elke sherpa heeft er een paar nodig. Een helikopter naar kamp 2? Ook 15 duizend dollar. En Coster moet de sherpa’s natuurlijk een bonus geven voor deze klus. Zal de verzekering dat allemaal vergoeden? Hij weet het nog niet.

Zelf is de expeditieleider erop gebrand de lichamen te halen. Hij weet hoe graag Casteleijn wil dat haar vriend terug naar Nederland komt. Hij is dit aan haar verplicht. En Strydom kan daar natuurlijk ook niet blijven liggen, zo midden op de route.

De sherpa’s blijken bereid de lichamen te bergen. De Zuidcol is nog relatief makkelijk te bereiken, concluderen ze. Niet al te diep in de Zone des Doods, goede weersomstandigheden. Bovendien zijn er voldoende onaangebroken zuurstofflessen in het basiskamp aanwezig om de tocht mogelijk te maken.

Ze maken een plan. Acht sherpa’s zullen omhooggaan, vier om het lichaam van Arnold op te halen, vier om dat van Strydom naar beneden te brengen. Coster zal het eerste stuk meegaan en vanuit kamp 2 de bergingsoperatie coördineren. Hij kan de sherpa’s toch niet bijhouden. Nog diezelfde nacht vertrekken ze door de Khumbu IJsval, een schuivende gletsjer die overdag te gevaarlijk is.

Kamp 2 (6.400 meter)

24 mei, 10 uur

De plannen zijn te optimistisch. Met vier man één lichaam naar beneden halen is lastig, ontdekken de sherpa’s als ze op 7.800 meter aankomen, waar Marisa Strydom ligt. Mis-schien moeten ze met z’n allen door naar boven, oppert Coster vanuit kamp 2, om eerst Eric Arnold van de Zuidcol te halen.

De sherpa’s klimmen door. Met twee man aan de achterkant van het lichaam, twee man aan de voorkant en twee man in het midden weten ze Arnold na een paar uur ploeteren naar kamp 3 op 7.200 meter te brengen. Dan vindt Coster het genoeg. Het is rond middernacht. Hij roept de mannen terug naar kamp 2, voor een maaltijd en wat rust. Ze zijn toch al weer 24 uur in touw.

Na vier uur slaap klimmen de sherpa’s weer naar boven. Ze slepen het lichaam van Arnold naar Crampon Point, een vlakte op 6.500 meter, iets boven kamp 2. Daar kan een helikopter landen, mits de overbodige stoelen eruit zijn gehaald en de brandstoftank minimaal gevuld is.

Nu moet Strydom nog gehaald worden, maar Coster merkt dat enkele sherpa’s uitgeput zijn. Vier van de acht willen nog een keer naar boven, de rest weigert. Coster besluit een rondje door kamp 2 te maken. Wilden sherpa’s van andere teams wellicht helpen? En ja, vier mannen bieden hun hulp aan. Omdat hij getrouwd is met een Nepalese, denkt hij.

Basiskamp

27 mei, 11 uur

De wieken draaien nog als Coster en een paar sherpa’s het oranje pakket uit de helikopter tillen. De piloot heeft het lichaam van Eric Arnold zojuist van 6.500 meter gehaald en hij zal het straks naar Lukla brengen. Dat van Strydom volgt later. De mannen monteren de stoelen weer in de cabine en tillen het lichaam van Arnold weer aan boord. Coster stapt ook in. Ze stijgen op.

Vanaf het moment dat hij wist dat de lichamen geborgen zouden worden, was de expeditieleider gaan nadenken. Hoe had Arnold zo plotseling kunnen overlijden? Had Coster signalen gemist? En de dood van Marisa Strydom, had hij die kunnen voorkomen? Coster denkt dat hij goed gehandeld heeft. Hij moest de randvoorwaarden scheppen en die waren op orde. Er was eten en drinken, er waren sherpa’s, tenten, klimschema’s. Daar houdt zijn verantwoordelijkheid op. Op de berg zijn klimmers op zichzelf aangewezen. Ze moeten zelf beslissen of een krampje of een hevige vermoeidheid reden is om terug te keren. Hij kan niemand verplichten om te draaien.

Of wel?

Soms vraagt hij zich af wat er gebeurd was als hij niet in kamp 4 was achtergebleven, maar met de expeditieleden mee was geklommen. Had hij Strydom op de Zuidtop in fermere bewoordingen toegesproken dan de sherpa’s? Zou ze dan wel zijn omgedraaid?

Meestal wuift hij zulke gedachten weg. Strydom had ook niet naar haar man geluisterd. Misschien was Coster niet in de buurt geweest, toen ze in nood raakte. En bovendien, wie had het overzicht gehouden, als hij ook op de berg was geweest? Wie had dan sherpa’s met extra zuurstof naar boven kunnen sturen? Nee, dat had hij vanaf de berg moeilijk kunnen regelen, via die radio die je steeds in de striemende kou uit je zak moest frummelen.

En dan is er ook nog die laatste vraag, die hem voorheen nooit zo bezighield. Coster was tijdens deze expeditie langer in de Zone des Doods dan de bedoeling was. Hij had voor een schamel salaris zijn leven gewaagd – niet om zijn eigen dromen waar te maken, maar om die van anderen te vervullen. Was dat het waard?

Coster, die zich in de bergen beter voelt dan waar ook, twijfelt er nu aan. Misschien moet hij alleen nog voor zichzelf gaan klimmen, op andere bergen dan de Mount Everest, die prestatieberg waar zo veel mensen zo graag omhoog willen dat ze er alles voor over hebben. Misschien moet hij bergen van 8.000 meter en hoger voortaan helemaal links laten liggen.

Na ongeveer twintig minuten landt de helikopter op Tenzing Hillary Airport in Lukla. Morgen zal het lichaam van Eric Arnold naar Kathmandu worden overgebracht, daarna naar Nederland. Dan kunnen de nabestaanden een uitvaart organiseren. Op het kleine vliegveldje aan de rand van een ravijn laadt Coster het oranje pakket uit.

Zijn vriend is weer beneden.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 

Rik Kuiper (1977) is verslaggever bij de Volkskrant, waar hij vooral over onderwijs schrijft. Soms mag hij even ‘buiten spelen’, zoals hij het zelf noemt. Dan schrijft hij minutieuze reconstructies van bijzondere gebeurtenissen. Dit is de derde keer dat zo’n reconstructie door de jury van Meestervertellers opgenomen wordt in de selectie van beste journalistieke verhalen van het jaar.

In zijn vrije tijd is Kuiper monteur bij de Verhalengarage. Daar kijkt hij samen met Henk Blanken onder de motorkap van de verhalende journalistiek. Door hun kennis te delen, hopen ze dat er in de toekomst nog veel meer mooie verhalen geschreven zullen

Waarom dit verhaal?

In dit verhaal volgt spanning op spanning. Het is geschreven van vanuit een duidelijk perspectief, dat van de expeditieleider Coster. We maken mee hoe de twijfel geleidelijk bij hem toeslaat. Is dit de manier om een gevaarlijke expeditie te leiden? Dat wordt nog versterkt doordat het verhaal onsentimenteel en onheroïsch is opgeschreven. Ardor leven we mee in het parallelle universum van de berghelling, waarin andere normen en andere omgangsvormen gelden. Het is ook journalistiek een relevant onderwerp, door de slachtoffers die de beklimming van de Everest telkens weer vergt – ook nu weer.

Toelichting van de maker

Klimmers waarschuwen: als je de top bereikt hebt, ben je pas halverwege. Iets dergelijks geldt voor schrijven. Dat leerde ik toen ik werkte aan de verhalen die ik schreef over Eric Arnold.

Het nieuws over zijn dood op de flanken van Mount Everest bereikte me op een zaterdagochtend. Ik had weekenddienst bij de Volkskrant, er was weinig ander binnenlands nieuws en ik vroeg de weekendchef of ik een reconstructie mocht maken. Dat leek hem een goed plan. Lees meer

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

Van golden boy tot total loss

Michael Heemels moest weg als PVV-woordvoerder. Hij had in de kas gegraaid. Dit is zijn verhaal – ook over de gesloten partijcultuur.

Maart 2014, verkiezingsavond

Michael Heemels gluurt naar de ingang. Nog even, dan geeft Geert Wilders zijn speech, hier in het Haagse café De Tijd. Een beveiliger tikt hem op de schouder.

‘Hij komt eraan.’ Heemels loopt naar buiten. Hij is de woordvoerder van Geert Wilders. Bij de ingang van de Tweede Kamer ziet hij hem lopen in een haag van beveiligers. Wilders kijkt hem aan, zegt niets. ‘Zaal is vol, pers staat klaar’, zegt Heemels. ‘Succes.’ Vandaag ziet hij er strak uit. Onberispelijk. Maar wie goed kijkt, ziet een geforceerde glimlach op zijn gezicht. Het is iets na negenen als Wilders binnenkomt en het podium betreedt. ‘Ik zou van iedereen hier een antwoord willen hebben op de volgende drie vragen’, roept hij. ‘O god’, denkt Heemels. ‘Daar gaan we.’ Een week geleden heeft Wilders op een markt iets over Marokkanen geroepen. Nu gaat het opnieuw gebeuren. En het is voorbereid.

Vanochtend is hij om half zeven opgestaan. Duf van de kalmeringspillen. Trillend heeft hij uit een van de cd-hoesjes een envelopje met wit poeder voor zich neergelegd. Niet één lijntje, maar een paar achter elkaar. Omwakker te worden. Uit de koelkast heeft hij twee halve liters Heineken gepakt en in zijn werktas gedaan.

‘Willen jullie meer of minder Europese Unie?’, vraagt Wilders aan de zaal. ‘Minder’, schreeuwen de mensen. Heemels weet dat Wilders zichzelf wil overtreffen vanavond. ‘Geert wist dat hij goud in handen had’, vertelt hij nu. ‘Die week zijn er meerdere gesprekken geweest. Bij één was ik aanwezig. In de kamer zaten Geert, ik, en in ieder geval Sietse Fritsma, Martin Bosma en Paul Belien, zijn tekstschrijver. Toen is besloten: dat gaan we doen. Hij wist dat hij zo in het nieuws zou komen. Er zijn die week verschillende versies geweest van de tekst. Er was niet veel discussie. Als Geert iets zegt, wordt hij niet tegengesproken.’

Vanochtend heeft hij op weg naar Den Haag in de auto de twee blikken bier opgedronken. Eindelijk rust. Om kwart over acht is hij de kiosk naast de Tweede Kamer binnengelopen. Ongezien heft hij nieuwe halve liters en wodka-mixen in zijn tas gestopt voor de rest van de dag. Bij de kassa kenden ze hem, zo deed hij het elke dag. Twee liter bier, twee liter sterk.

‘Willen jullie meer of minder Partij van de Arbeid?’, roept Wilders. ‘Minder’, scandeert de zaal. De hele dag door heeft Heemels gewerkt. Verzoeken van Wilders uitgevoerd, telefoontjes beantwoord, journalisten te woord gestaan. Tussendoor heeft hij gedronken. Gesnoven. Kauwgum gekauwd om alles te verbergen. ‘Willen jullie, in deze stad en in Nederland, meer of minder Marokkanen?’, roept Geert Wilders. ‘Minder’, juicht het publiek. ‘Minder! Minder!’ Alert kijkt Heemels naar de journalisten die achter een touw staan te dringen. Wilders stapt van het podium. ‘Wie eerst?’, vraagt hij. Heemels gebaart naar de NOS. ‘Het was een van de weinige momenten dat ik me gewaardeerd voelde als woordvoerder’, zegt hij achteraf. ‘Hij had me op dat moment keihard nodig. Hij vertrouwde op mij.’ Na de interviews vertrekt de PVV-leider. Heemels kijkt hem na. Wilders zal voor zijn uitspraken worden vervolgd. Maar wat niemand ziet, is hoe verdoofd zijn woordvoerder daar rondloopt. ‘Als een zombie’, zegt hij zelf.

Geen excuus

Michael Heemels (35) zit bij de Volkskrant in Amsterdam. Hij is mager, zijn blik is helder. Een half jaar geleden meldde hij zich bij justitie in Maastricht. In februari 2016 schreef hij een brief waarin hij de buitenwereld vertelde wat hij jarenlang verborgen had gehouden: hij stal volgens zijn eigen schattingen 110 duizend euro uit de PVV-kas en gebruikte die voor drank en cocaïne. De PVV schat dat hetom175.000 euro gaat. Binnenkort staat Heemels voor de rechter. Hij verloor zijn baan, zijn ouders, vrijwel alle vrienden en moest zijn huis uit. Hij zat in een afkickkliniek. Na maanden ging ook zijn vriendin bij hem weg. Eén keer wil hij vertellen wat er is gebeurd: hij wil opnieuw beginnen, een verklaring geven. Laten zien hoe hij de laatste jaren binnen de PVV een bijna ondraaglijke druk voelde van Wilders. En hoe hij bleef gaan – verdoofd door angstaanjagende hoeveelheden alcohol en cocaïne. ‘Verslaving is een ziekte’, zegt hij. ‘Maar dat is geen excuus. Dit moet geen stuk worden over hoe zielig ik ben. Ik heb dat spul zelf door mijn lijf gejaagd. Als PVV’er ben ik altijd streng geweest voor iedereen die liep te graaien. Dus laat ik duidelijk zijn: wat ik heb gedaan, dat mag niet. Het is goed dat ik me voor de rechter moet verantwoorden. Ik schaam me er diep voor. Ik had met mijn poten van dat geld af moeten blijven.’

De Volkskrant sprak Heemels vier keer, in totaal negen uur. Zes maanden lang was hij nuchter. In die periode vonden de eerste drie gesprekken plaats. Daarna kreeg hij een terugval, waarvoor hij nu wordt behandeld. Dit interview is zijn verhaal, dit is hoe hij terugkijkt. ‘Het komt uit mijn hart’, zegt hij. ‘Ik wil niet meer liegen – dat heb ik te lang gedaan.’ De krant had inzage in honderden mails van Wilders, die zijn relaas over de hoge werkdruk ondersteunen. Ook sprak de Volkskrant met zes voormalige PVVcollega’s die bevestigen hoe het er binnen de partij aan toegaat. Op Heemels’ arm staat een tatoeage. Op een van zijn moeilijkste momenten kreeg hij bericht van de familie van een Amerikaanse soldaat wiens graf uit de Tweede Wereldoorlog hij had geadopteerd in Margraten.

Never give up, schreven ze hem.

Februari 2009

Michael Heemels loopt het zaaltje in Waddinxveen binnen. Dadelijk zal hij hem voor het eerst ontmoeten. ‘Ik móést Wilders een keer zien’, zegt hij. Hij volgt het nieuws al heel zijn leven. Álles vreet hij. Journaals, nieuwszenders, achtergrondprogramma’s. In de pauze stapt hij op de politicus af. ‘Hé Geert’, zegt hij in het Limburgs. ‘Moog ich mit dich op de foto?’ ‘Een Limburger?’, zegt Wilders verrast. ‘Helemaal naar Waddinxveen?’ ‘Jazéker’, zegt Heemels. De foto heeft hij nog steeds. ‘Ik was als een kind zo blij’, zegt hij. Hij is 27 – een intelligente, onrustige, gevoelige jongen uit een ondernemersgezin – en heeft van alles gedaan: skileraar, vertegenwoordiger, animateur in vakantieparken. Nu volgt hij de lerarenopleiding Duits.

Augustus 2010

Hij is gevraagd voor het ‘PVV-klasje’, in aanloop naar de Provinciale Staten-verkiezingen. ‘Ik dacht: dat je daar zomaar ín komt. Wat zien ze in mij?’ Maar hij blijkt een talent. Een goed debater. Als de kieslijst wordt opgesteld, is hij pas drie keer geweest. ‘Tot mijn verbazing kwam ik op een verkiesbare plek.’ Hij wordt Statenlid in Limburg. ‘Ik dacht dat we daar samen aan iets moois zou kunnen werken. Maar vanaf de eerste dag werd duidelijk dat mensen alleen maar bezig waren met zichzelf. We waren nog niet beëdigd of er werd gedreigd met opstappen, afsplitsen. Mensen zeiden: ‘Ik wil gedeputeerde worden, anders ben ik weg.’ Er werd geschreeuwd, geruzied. Ik dacht: ‘in welke slangenkuil ben ik beland?’ Hij houdt zich gedeisd. PVV’ers beschrijven hem in die tijd als slim maar timide. ‘Ik was als een spons’, zegt hij. ‘Ik observeerde, zoog alles op.’ Dat ziet ook Laurence Stassen, de fractievoorzitter. ‘Ik werd haar vertrouwenspersoon.’ Hij drinkt dan al wel. Veel. ‘Ik was een avonddrinker’, zegt hij. ‘Om af te schakelen. In mijn hoofd gaat het altijd door. Mijn gedachten gaan heel snel, alle kanten op. Ik dronk tot ik me licht voelde zweven. Ik wilde niet dronken worden. Dat lichte roesje vond ik lekker.’

Januari 2012

Het is mis in de Limburgse fractie. Er is een oude mail uitgelekt van Statenlid Cor Bosman die Selçuk Öztürk, tegenwoordig voorzitter van DENK, uitmaakt voor ‘stuk uitgekotst halalvlees, gemaakt van Turks varken’. ‘Ik zat aan tafel met Laurence Stassen’, zegt Heemels. ‘Ze zei: Cor moet weg.’ Zelf kan hij het goed vinden met Bosman. ‘Ik was verbaasd en vroeg waarom; die mail was al een jaar oud. Maar ze zei: hij brengt de fractie schade toe. Ze had opdracht van Geert hem eruit te zetten.’

De volgende dag stemt de voltallige fractie Bosman weg. Meteen daarna worden ze belaagd door journalisten. Eerst staat Stassen de media te woord, maar ze heeft geen verklaring. ‘Achter de schermen was ze alleen maar aan het huilen. Tegelijkertijd kregen we continu sms’jes van Geert: wat is dit voor een puinhoop? En: zorg dat het goed komt. Ik probeerde haar te kalmeren, maar ze kon niks meer. Dus ik zei: ik doe het wel.’ Ineens staat hij daar. ‘Ik deed alles op gevoel, wist totaal niet hoe het moest. Journalisten fileerden me. Maar ik heb die dag recht geluld wat krom was en ik was er goed in. Ik kwam geloofwaardig over. Maar ik was er kapot van. Het was gewoon niet eerlijk tegenover Bosman.’ Die dag verliest hij zijn vriend in de fractie. Vol adrenaline stapt hij ’s avonds in de auto, naar Duitse vrienden. ‘Net over de grens kocht ik bij een tankstation een paar halve liters. Ik had praktisch niets gegeten. Voordat ik Keulen binnenreed, was ik al dronken.’ Ziek van de drank komt hij aan. Zijn vrienden zijn in een uitgaansstemming. ‘Iemand zei: ‘Weet je wat jij moet doen? Pak even een lijntje, dan zijn de scherpe randjes eraf.’ Binnen een paar minuten voelde ik me weer goed. Ik dacht: wauw, dit moet ik onthouden.’

Happy few

In korte tijd ontwikkelt Heemels zich tot de golden boy van de PVV. Veelbelovend, jong, ad rem. Collega’s beschrijven hoe hij komt bovendrijven: hij heeft inzicht, is een streber en zet zaken makkelijk op scherp. ‘Hij heeft politiek veel talent en de capaciteiten om tot de happy few te behoren’, zegt Bosman, ondanks het verraad. ‘Ik ontdekte vrij snel hoe ik de media kon bespelen’, zegt Heemels. ‘Ik wist: als ik dit zeg, dan sta ik een halfuur later op de site van De Limburger. ‘Soms zette ik het net even wat harder aan, verzon ik quotes als: het is een kwestie van geduld voordat heel Limburg Arabisch lult – ja, daarmee kom je wel in De Telegraaf. Heerlijk.’ ‘Geert waarschuwde wel dat ik niet te veel op zijn thema’s moest gaan zitten. Eén keer twitterde ik bij een foto van een man die van het WTC springt dat het me daarom niets kon schelen dat terroristen werden gemarteld. Geert belde nooit, maar ineens had ik hem ’s avonds aan de telefoon. Hij zei: wat is er aan de hand, ik word gek, haal het eraf. Ik had die avond zoveel gedronken dat ik mezelf niet onder controle had.’

Hij werkt hard. De facto is hij dan al fractievoorzitter, een functie die hij later officieel krijgt als Stassen delegatieleider in het Europees Parlement wordt. ‘Feitelijk runde ik de PVV Limburg in m’n eentje’, zegt hij. ‘Ik durf te stellen dat in de eerste vier jaar vrijwel alle moties, beleidsvoorstellen en spreekteksten van mijn hand waren. Ook al staat er misschien een andere naam onder. Mijn collega’s wisten veel van hun dossiers, maar er kwam niets uit hun handen. Ik zei altijd: ik doe het wel.’ In Limburg wordt hij vaak herkend. ‘Hé Heemels’, roepen de mensen. ‘Ik zag je op tv. Goed gedaan, jongen.’ Mooi vindt hij dat, die aandacht. Hij zoekt het op. Tegelijk is hij doodsbang omfouten te maken. Altijd is hij nerveus, voelt hij druk. Hij wil het graag goed doen. En nu heeft hij ook nog het gevoel dat hij er alleen voor staat. Steeds vaker neemt hij cocaïne. Vijf pakjes per week –à 50 euro- die hij koopt in het nachtleven. Alcohol maakt hem rustig, coke houdt hem scherp.

April 2012

Heemels kijkt naar het bankpasje in zijn hand. Er is een acuut probleem: hij is zijn baan kwijt. Tot nu toe was hij Statenlid én medewerker van de fractie. Maar die laatste, beter betaalde baan moet hij opgeven vanwege kritiek in de media op zijn dubbelfunctie. ‘Mijn inkomen daalde van 2.330 naar 980 euro in de maand.’ Het pasje is van de PVV. Hij is de penningmeester. ‘Ik stond daar bij die pinautomaat’, zegt Heemels. ‘En ik had helemaal niets meer. Nog geen euro.’ Hij twijfelt. ‘Ik moest bijna plassen van de zenuwen. En toen dacht ik: kom, het is maar 100 euro, volgende maand stort ik het terug.’ Al na een paar dagen pint hij opnieuw. En opnieuw. Hij betaalt er zijn drank mee. Coke. Alles eigenlijk. ‘Telkens zei ik tegen mezelf dat ik het snel terug zou betalen. Ik verwachtte dat ik snel weer een baan zou hebben. Mijn schuldgevoel drukte ik weg met drank. Even later was ik dan gekalmeerd. Dan dacht ik: ja, shit, wat moet ik anders? ‘Ondertussen solliciteerde ik me scheel. Ik had altijd gemakkelijk werk gevonden, nu kreeg ik afwijzing na afwijzing. Blijkbaar lag het gevoelig dat ik een bekende PVV’er was.’ Maanden gaat het zo door. Het bedrag loopt steeds verder op. ‘Ik was wanhopig. Ik had geen geld en ik kreeg het niet opgelost. Ik kon ook niet meer stoppen als Statenlid: dan zou meteen duidelijk worden dat het geld weg was. Ik begon steeds meer te gebruiken. Zo veel dat het me allemaal niets meer uitmaakte.’

‘Als iemand toen de rekening van de PVV Limburg had bekeken, had hij het meteen gezien. Mijn boodschappen bij Albert Heijn pinde ik met dat pasje. Maar niemand keek. Er wás geen kascontrolecommissie, zo amateuristisch zat het in elkaar. Ik verdoezelde niets, ik nam gewoon geld op uit de reserves van de partij. Bij jaarlijkse controles door de Provincie is er niet één keer naar een bankafschrift gevraagd.’

Hij mailt Wilders dat hij ‘tegen zijn financiële grenzen’ aanloopt. Hij dreigt op te stappen als Wilders hem niet helpt. Een slim argument: Wilders heeft hem nodig in Limburg, omdat hij er alles bij elkaar houdt.‘Maar Geert zei telkens dat er geen vacatures waren.’ Een jaar later komt het telefoontje. ‘De persvoorlichter stopt’, zegt het hoofd personeelszaken. ‘En Geert wil dat jij het doet.’ Hij zit dan diep in de schulden. Hij bezoekt een psycholoog, maar dat loopt op niets uit. Eigenlijk heeft hij net een baan geaccepteerd als vertegenwoordiger in schoonmaakproducten. Dat Wilders hem nu toch wil, streelt hem. En hij besluit het te doen.

November 2013

Nu zit hij in het centrum van de macht. Als rechterhand van Wilders. ‘Geert wist dat hij me kon vertrouwen. Ik zat op zijn lijn. Alleen de meest loyale mensen laat hij toe tot zijn inner circle. ‘Ik had geen enkele ervaring in de journalistiek. Ik werd hooguit twee weken ingewerkt, kreeg geen mediatraining, niets. Maar ik dacht: als ik mijn tanden erin zet, komt het wel goed. Ik ben altijd een vechtertje geweest.’ Zijn kamer is naast die van Wilders. Zomaar binnenlopen kan niet: veiligheidsredenen. Ook andersom gebeurt dat niet. ‘Als hij al binnenkwam, dan was er stront aan de knikker.’ Wilders communiceert via mail, Whatsapp en sms. ‘Zijn vragen waren commando’s. Als hij iets wilde, stuurde hij een mail. Daarop moest ik bevestigen met ‘ok’. Als ik dat niet deed, kreeg ik binnen een halve minuut een appje: ‘zie mail’. Als ik dan nog niks deed, kreeg ik een sms: ‘waarom reageer je niet?’ Als het dan weer te lang duurde, werd ik gebeld door de secretaresse. Zelf belde hij bijna nooit.’

Heemels heeft een eigen kantoor. De deur is dicht, net als bij andere PVV-medewerkers. ‘Ik werd niet geacht contact te hebben met collega’s. Als hij dat merkte, zei hij: je bent mijn medewerker, je werkt voor mij, ik wil niet dat in gesprekken informatie wordt uitgewisseld. Ik zag natuurlijk wel mensen bij de koffieautomaat, maar dan hielden we het oppervlakkig. Je zei gedag, dat was het.

‘Uitgebreid lunchen met elkaar was ook niet de bedoeling. Dan kwam er commentaar. Hij is heel achterdochtig. Dan zei hij: ‘ik moet je kunnen vertrouwen, anders stap je maar op. ‘Als de secretaresse belde dat Geert je wilde zien, moest je alles uit je handen laten vallen en naar zijn kamer komen.

Daar zei hij meteen wat hij wilde. Soms wilde hij weten hoe hij vandaag op tv kon komen. Binnen een kwartier moest ik dan met een idee komen.’

‘Geert wilde alles nú hebben’, zegt Heemels. ‘Hij wilde meteen als eerste kunnen reageren, er bovenop zitten.’ Zijn werk bestaat uit nieuws volgen, uitzoeken, verzamelen, rangschikken, updates bijhouden. ‘Elke dag wilde hij omhalf negen een compleet overzicht van de artikelen uit alle nationale en internationale kranten – van Wall Street Journal tot Haaretz – over terrorisme, islam, integratie, veiligheid, IS. Geprint.

‘Soms drukte ik iets niet af, omdat ik het niet belangrijk vond. Dan stuurde hij een woedende mail. ‘Je moet alles lezen, niet alleen de koppen’, zei hij dan. Als ik zei dat het onmogelijk was ombinnen een uur twintig kranten te lezen, zei hij: dan begin je maar eerder.’

‘Het woord ‘nu’’, zegt Heemels, ‘heeft voor mij een andere lading gekregen. Om half zeven ’s ochtends stuurde ik het grootste nieuws al door, anders kreeg ik dan al op mijn kop.’ ‘Als ik iets verkeerd deed, belde de secretaresse dat ik bij Geert moest komen. ‘Wat is dit voor broddelwerk’, zei hij dan. Als ik er iets tegen inbracht, zei hij: ‘Smoesjes, je hebt altijd smoesjes.’ Hij veegde echt de vloer met me aan in zo’n gesprek. Ik moet altijd lachen in dat soort situaties, misschien van de zenuwen. Werd hij ook heel boos over. ‘Dit is niet om te lachen’, zei hij dan. ‘Sta daar niet zo als een dom schaap. Ga maar naar buiten.’ Dan kon ik gaan.’

Uit mails van Wilders blijkt dat hij vrijwel nooit tevreden is. ‘Ik weet dat ik regelmatig werk afleverde waar meer in had gezeten’, zegt Heemels. ‘Ik werkte echt heel hard, maar het was standaard niet goed. Hij wilde de zaken altijd sneller. Hij vroeg vaak bijna het onmogelijke, ging altijd net over de grens van wat ik aankon. Soms flanste ik maar wat in elkaar.’

De kritiek heeft geen gevolgen voor zijn loopbaan: zijn contract wordt twee keer verlengd met een jaar. ‘Ik weet dat anderen net zo op hun kop kregen als ik’, zegt Heemels. ‘Iedereen werd zo behandeld. De Kamerleden werden ook gewoon als hondjes opgetrommeld. Allerlei mensen hebben ziek thuis gezeten: de secretaresse, de tekstschrijver. Ik hoorde Geert in de kamer naast mij geregeld zijn stem  verheffen.’

‘Soms werd ik bij Folkert geroepen, het hoofd personeelszaken. Die zei dan: ‘Je weet hoe hij is, probeer het de volgende keer beter te doen. Ga niet in discussie.’ Als Geert een slechte bui had, zeiden de tekstschrijver en ik soms tegen elkaar: nou, het gaat weer lekker, hè? Maar daar bleef het bij. Het was not done om daar over te praten. Het was ieder voor zich daar.’ Zes voormalige PVV-collega’s bevestigen dat de druk onder Wilders extreem hoog is, met name voor voorlichters. Drie van hen bevestigen dat meerdere mensen langdurig ziek waren of zijn vertrokken vanwege de druk. Ze vertellen ook dat de huidige senior persvoorlichter momenteel voor de derde keer overspannen thuis zit.

‘Ik werd ook ingezet voor beleidswerk’, zegt Heemels. ‘Ik moest bijvoorbeeld meeschrijven aan stukken voor Prinsjesdag over terreurdreiging. Ik ben geen domme jongen, dus ik las me in. Maar ook dat was een race tegen de klok. Ik voelde me een Duracell-konijn: voortdurend onder hoogspanning. ‘Diep van binnen dacht ik vaak: val dood. Toch zocht ik ook altijd de schuld bij mezelf. Dan dacht ik: had ik nog geconcentreerder kunnen zijn? Ik wilde presteren, voelde me loyaal aan hem. Daardoor raakte ik zo gestrest, gefrustreerd en uit balans dat ik steeds meer ging gebruiken.’

Hij drinkt stiekem, op zijn kamer naast die van Wilders, met het raam open. Telkens zet hij een nieuw blikje neer achter de printer – onzichtbaar. ‘Met drank gleden de opmerkingen –woefff – van me af. Ik werd er onverschillig van. Door de alcohol ging ik slechter functioneren, werd ik langzamer, kon ik me minder goed concentreren. Maar na een lijntje was ik weer scherp. Dan kon ik verder.’

Puin ruimen

Al die tijd heeft hij nog een tweede, veeleisendebaan: fractievoorzitter bij de Provinciale Staten Limburg. ‘Geert zei dat ik niet geloofwaardig was als ik in Limburg opstapte, maar ik moest bedelen om erheen te mogen. Hij vond dat ik in Den Haag moest blijven. Dus deed ik het ’s avonds. Twee keer per week stapte ik na mijn werk nog in mijn auto om in Limburg puin te ruimen. Vaak was ik pas ’s nachts half twee terug. ‘Geert wist dat ik daarheen ging. Maar onderweg bleef het maar komen. Mails, appjes, sms’jes: doe dit, kijk dat na, zoek dat uit. Ik heb alle parkeerplaatsen en tankstations van Nederland honderden keren gezien. Daar zat ik in het donker met mijn laptop op schoot in de auto snel nog een persbericht te versturen of iets voor hemuit te zoeken.’

‘Ondertussen was ik een gevaar op de weg. Met heel veel bier en heel veel coke zat ik achter het stuur. Ik had snelheidsbekeuringen bij het leven omdat ik alleen maar aan het jagen was. Ik heb zo vaak met buikpijn in die auto gezeten en mezelf voorgenomen ermee te kappen.’ Maar hij zit klem. Als hij opgeeft in Limburg, moet hij het penningmeesterschap overdragen en komt het bedrog uit.

Nu, spoed, meteen

De mails van Wilders laten zien hoe de PVV-leider permanente beschikbaarheid eist van zijn medewerker. Nu, spoed, meteen, snel: die woorden staan in praktisch elke mail. Hij deelt commando’s uit, tot laat in de avond. Over de spelling van het woord gelukszoeker: ‘Doe het zoals ik het zeg en heb getweet of laat Karen het doen nu!’ Over een persbericht dat hij niet binnen 10 minuten schrijft: ‘Duurt te lang Michael veel te lang heb al getweet.’ Over een interviewverzoek van Jinek: ‘Dat heb je al paar keer eerder gezegd Michael je weet dat ik daar niet heenga dus snap niet dat je het blijft vragen ik zeg niet voor niets nee.’ Als Heemels’ 8-jarig neefje is overleden: ‘Gecondoleerd. Natuurlijk kan je gaan maar het is de laatste week van het reces er kan veel gebeuren politiek deze week dus als je vooraf en achteraf nog even naar kantoor kan komen dan graag. Sterkte.’

Zijn toon verandert alleen als het over de nieuwste iPhone gaat. Of over de serie Homeland, die Heemels voor hem downloadt. ‘Jippie!!!’ mailt Wilders. Hoewel Heemels persvoorlichter is, kan hij weinig met journalisten. ‘Mijn taak was vooral hen weg te houden. Gerespecteerde media belden vaak hijgerig of ze alsjeblieft een quootje mochten van Geert. Jeetje jongen, dacht ik dan, je hebt toch wel een beetje zelfrespect.’ Bij verzoeken van DWDD, Pauw, de Volkskrant of NRC is Wilders resoluut: ‘Negeren! NRC kan het vinkevet krijgen.’ Anderen krijgen uiterst korte interviews. ‘De vragen wilden we tot achter de komma weten. Als journalisten dat niet wilden, dan niet. ‘Ik weet oprecht niet hoe Geert het zelf allemaal volhoudt. Hij werkt maar door. Ik was elke dag bang dat ik alles kwijt zou raken als ik gepakt werd: mijn baan, mijn relatie, mijn familie. In het laatste halfjaar zagen een paar collega’s me drinken. Ik vertelde dat ik een moeilijke periode had. Ik noem geen namen – ze werken er nog–maar drie, vier van hen wisten het. Ook van de coke. Ik weet niet of Geert het wist of dat hij dacht: zolang hij functioneert, vind ik het best.

‘Ik had vier, vijf dealers in Den Haag. Ik liet de cocaïne leveren tot in de garage van de Kamer. Op het laatst gebruikte ik 5 gram per dag.’ Enorme hoeveelheden: veel gebruikers hebben genoeg aan een halve gram per avond. ‘Zelfs dealers vroegen soms of het allemaal voor mij was.’

Tot het eind staat hij in nauw contact met Wilders. Hij zegt de werkdruk meermaals te hebben aangekaart. ‘Dan zei Geert: dan neem je toch ontslag? Het interesseerde hem geen fuck. Ik gun het hem niet dat ik daar boos en verdrietig over ben. Dat zou te veel eer zijn. Hij is ijskoud. Ik verwacht dat hij niet op mijn verhaal zal reageren. Dat hij alles negeert. Of hij zegt dat hij van niks wist, dat het onacceptabel is wat ik heb gedaan en dat ik natrap.’

Inderdaad wil Wilders, ondanks herhaaldelijk verzoek, niet op Heemels’ verhaal reageren. ‘Ik ben nog steeds rechts georiënteerd. Ik sta achter de standpunten van de PVV. Maar ik zie wel dat het steeds extremer wordt. Er is steeds minder inhoud, alles draait om Geert, om zijn onemanshow. De drang om het nieuws te halen is groter dan om iets te veranderen. Je moet proberen uit te leggen hoe je dingen wilt bereiken. Dat partijprogramma op een A4’tje, dat is gewoon schandalig voor potentieel de grootste partij van Nederland.’

Januari 2016

Het is Laurence Stassen die hem verraadt, stelt hij. ‘Zij stapte met dit verhaal naar de krant.’ Stassen weigert commentaar. Eind januari publiceert NRC Handelsblad een stuk waarin staat dat er grote bedragen zijn verdwenen bij de PVV Limburg. ‘Ik wist het nog even op te houden door te zeggen dat ik het onderzoek met vertrouwen tegemoet zag. Maar ik wist: dit is het. Geert gaf me toen nog het voordeel van de twijfel. Ik vertelde hem dat Limburg weer eens lastig deed. Jeetje, zei hij, stelletje klootzakken.’

Niet veel later meldt hij zich ziek. ‘Waar ben je? Kom naar kantoor svp er is veel te doen’, appt Wilders. Heemels reageert niet. ‘Ik negeerde alles. Ook Geert.’ Een paar dagen later komt er weer een appje. ‘Kom als het kan ok vandaag het is nu echt cruciaal Michael dat we elkaar persoonlijk spreken.’

Februari 2016

In anderhalf jaar tijd is hij 22 kilo afgevallen. Vannacht heeft hij voor zich uitgestaard.Hij heeft zich opgesloten op zijn kamer. Gedronken, gesnoven en xtc genomen. Dagenlang. ‘Ik wist niet meer hoe verder.’ Zijn vriendin heeft huilend gevraagd wat er is, maar hij heeft haar niet binnengelaten. ‘Liefje’, heeft hij gedacht, ‘je moest eens weten.’ ‘Laat me met rust’, heeft hij gezegd. ‘Je hebt geen idee wat er aan de hand is.’ Hij heeft het voor iedereen verborgen gehouden, ook voor haar.

Nu rijdt hij naar Herkenbosch, zijn geboortedorp in Limburg. Daar woont de enige tot wie hij zich nog durft te wenden. Hij belt aan bij de pastoor. ‘Hoe gaat het met je?’, vraagt de man. ‘Niet goed’, zegt Heemels. Voor het eerst bekent hij wat hij heeft misdaan. Hij vertelt dat het veel erger is dan er in de krant staat: het bedrag dat hij heeft gestolen is ruim over de ton. ‘Dit wordt een lange weg’, zegt de pastoor. ‘Hij vroeg waarom ik niet eerder hulp had gezocht. Ik zei dat ik dat niet wist. Eigenlijk realiseer ik me nu pas dat ik heel ziek ben. Ik heb lang gedacht dat verslaving iets voor zwakkelingen was, voor sukkels. De pastoor zei: het enige wat je nu kunt doen, is eerlijk zijn.’

‘Beste Geert’, zo begint zijn mail in februari 2016. ‘Ook al heb jij het mij regelmatig moeilijk gemaakt om mijn functie in Limburg goed uit te voeren, nooit ben ik jou afgevallen’, schrijft hij. ‘Jarenlang heb ik vol overtuiging alles gegeven voor jou en de partij. Ik heb hierin mijn grenzen van belastbaarheid ver overschreden en ben verkeerd omgegaan met de werkdruk, stress en media aandacht. Hierdoor heb ik binnen de fractie ook financiële misstappen begaan. Iets waar ik mij diep voor schaam en wat mij enorm spijt.’ Hij neemt geen ontslag. In een persbericht benadrukt hij dat hij stress en werkdruk ‘niet als excuus aanvoert maar louter als verklaring’.

Twee uur later volgt een antwoord. Het is het hoofd personeelszaken. ‘We zijn voornemens om jou te ontslaan op staande voet’, appt hij. ‘Als je hierop wilt reageren, dan graag voor morgen 13.00 uur. Groet. Folkert.’

Het is het laatste wat hij van iemand van de PVV heeft gehoord. Later wordt inderdaad zijn contract beëindigd.

Toelichting van de makersTerug naar alle verhalen
 
Huib Modderkolk (34) is sinds 2015 onderzoeks-journalist bij de Volkskrant, waar hij voornamelijk schrijft over geheime diensten, tech, data en privacy. Over die onderwerpen geeft hij ook geregeld commentaar bij De Wereld Draait Door. Het afgelopen jaar schreef hij onthullende verhalen over de beveiliging van Geert Wilders en de werkwijze van de AIVD. Eerder werkte Modderkolk voor NRC Handelsblad. In 2014 werden zijn verhalen over de Nederlandse NSA-onthullingen (met Steven Derix en Floor Boon) genomineerd voor de Tegel en de Loep. Hij studeerde politicologie en journalistiek op de UvA.
maudMaud Effting (45) schrijft voor de Volkskrant vooral over de zorg, met speciale aandacht voor euthanasie, palliatieve zorg, oncologie en ggz. Ze is gespecialiseerd in persoonlijke verhalen, vaak over misstanden in de zorg. In 2014 werd ze samen met Anneke Stoffelen genomineerd voor de Tegel voor hun stuk over de zelfmoord van huisarts Tromp. Eerder werd ze ook al genomineerd voor een interview met een Nederlander die door FARC was gegijzeld. Voor haar artikelen over het ongeluk met een toestel van Turkish Airlines won Effting in 2010 de PDL-Persprijs, voor ‘objectieve, complete en vooral begrijpelijke journalistieke berichtgeving op het gebied van luchtvaart’. Momenteel doet ze samen met Willem Feenstra onderzoek naar misbruik in de sportwereld.
Waarom dit verhaal?

De grote kracht van verhalende journalistiek, zoals eerder geformuleerd door deze stichting, is het ontsluiten van een nieuwe wereld, en dat doet dit verhaal als geen ander. Te beginnen met de ijzersterke openingsscène: een blik achter de schermen bij het spraakmakendste politieke moment van de afgelopen jaren, de ‘Meer of minder?’- speech van Geert Wilders.

Het onderwerp biedt een prettige mengeling van politiek en rock-‘n-roll: de gevallen oud-woordvoerder van de PVV vertelt over zijn verwoestende coke- en drankverslaving en de strenge en stressvolle partijpolitiek. De verslaggevers hebben dit zo opgeschreven dat deze tell-all-biecht leest als een strak gecomponeerde thriller, een spiraal verteld vanuit het perspectief van Heemels: samen met hem gaat de lezer naar rock bottom.

Behalve gevoel voor plot en stijl getuigt dit verhaal ook van groot journalistiek vernuft en zorgvuldigheid. Eerst werd Heemels’ vertrouwen ingewonnen, daarna moest zijn relaas gecheckt en dichtgetimmerd worden. Het resulteert in een buitengewoon sterk journalistiek verhaal, even smeuïg als relevant.

Toelichting van de makers

Toen hij in februari 2016 een persbericht verspreidde, was PVV-voorlichter Michael Heemels in één klap alles kwijt. Hij biechtte op dat hij meer dan 100 duizend euro van de PVV had gestolen en dat hij aan een jarenlange drugs- en alcoholverslaving leed. Hij werd ontslagen, zijn collega’s spraken niet meer met hem, zijn ouders niet. Maanden later verliet ook zijn vriendin hem. Lees meer

Toelichting van de makersTerug naar alle verhalen

Voorbij de dorpel de beestenboel

Mijn twee grootste jongensdromen zullen voor altijd onvervuld blijven. Ik zal nooit een Paniniplaatje zijn en ik zal nooit in eerste klasse spelen. Het scheelde nochtans weinig.

Ik herinner mij:

  • een dribbel van Mbark Boussoufa
  • slagroom op een Amsterdamse tiet
  • een vreugdedans in Geel
  • twee spelers die vechtend over de vloer van de feestzaal rollen
  • een tattoo op de lies van een spelersvrouw

I.

Op een dag komt mijn vriendin thuis. Nog voor de deur in het slot valt, vraagt ze waar ik mee bezig ben.

“Ik?”, antwoord ik. “Nergens mee.”

Een domme reactie, achteraf bekeken. Zelfs al probeer je het nog zo hard, je kunt onmogelijk niets doen.

“Je staat met je voet op een tennisbal”, zegt ze. “En je glundert.”

Ze barst net niet in lachen uit.

“Oh. Dat. Gewoon.”

“Gewoon wat?”

“Gewoon: een beetje trappen.”

Minstens één keer per dag tik ik een tennisbal tegen een binnenmuur van ons huis. Om dan kort weg te draaien en – tàk – te trappen. Soms dribbel ik eerst om het bijzettafeltje, als was het een centrale verdediger, en mik ik dan pas naar de linkerbenedenhoek van de platenkast.

Vingertje in de lucht.

Ogen naar het plafond.

Heerlijk gevoel.

(Het gebeurt dat ik over de tennisbal struikel en op het tapijt beland. Een dribbelkont ben ik nooit geweest.)

II.

Ik geloof best dat mannen evolueren, maar niet meer na hun tiende.

Ook als jongetje van tien dribbel ik tafels, trap ik tennisballen tegen binnendeuren, steek ik vingers in de lucht. Tot ergernis van mijn moeder, ondanks alles mijn trouwste fan. Ik begrijp haar – dagelijks sneuvelt er een vaas, om de maand een venster – maar stoppen is geen optie. Ik wil niet rustig een boekje lezen. Ik wil niet naar Samson kijken. Ik wil trappen.

In vriendenboekjes schrijf ik na de vraag ‘Wat wil je later worden?’ steeds hetzelfde antwoord: ‘Profvoetballer’. Mijn handschrift zal nooit vaster ogen. Ook niet als ik jaren later een contract bij een eersteklasser onderteken.

Paniniboeken draai ik kapot. Uren kan ik naar de plaatjes kijken. Naar Chidi Nwanu en Florian Urban, Jean-Jacques Missé-Missé en Ratko Svilar. Behalve profvoetballer wil ik later nog iets worden: een plaatje van Panini. Blinkend en met geel omrand.

III.

Het hoogtepunt van mijn leven als een voetballer beleef ik op een modderig veld in Visé, iets boven Luik. De tribunes zijn halfvol. Het is koud, de zon schijnt zachtjes. KSV Roeselare, op dat moment mijn club, strijdt mee voor de titel in tweede nationale. Ik krijg een plaats op de bank.

Tijdens de opwarming fluistert topschutter Christophe Lauwers in mijn linkeroor: “Ik voel het. Jij gaat vandaag beslissend zijn.” Ik lach en vraag me af wanneer ik naar het toilet zou gaan: nu of tijdens de rust?

Het is een vraag die ik me in die periode wel vaker stel. Mijn ergste nachtmerrie is niet een owngoal of een onbegrijpelijke misser, nee, mijn visioenen gaan over plotse uitbarstingen in de maag- en darmstreek.

Twee uur na de woorden van de topschutter mag ik invallen. Het staat 0-0, er zijn nog dertig minuten te spelen. “Alles geven!”, brult trainer Dennis van Wijk. “Vechten voor elke bal!”

Nog tien minuten te gaan. Ik krijg de bal op rechts, zet zonder kijken voor, Bas Vervaeke duwt hem binnen: 0-1.

Nog twee minuten. Fred Vanderbiest zwiept een vrije trap in de zestien, ik werp me ertegen, gejuich op de tribunes en spelers op mijn lijf: 0-2.

We blijven in de titelstrijd. Ik waan me belangrijk.

IV.

Alles komt op dat moment samen.

Alle ochtenden met muesli en buikspieroefeningen.

Alle middagen op leven en dood op de speelplaats en nadien bezweet de les Latijn door. Rosa, rosa, rosam, rosae, rosae, rosa, rosae, rosae, rosas, rosarum, rosis, rosis!

Alle dinsdag- en donderdagavonden van bijtrekpas! knietjes omhoog! hielen tegen het zitvlak!

Al het monotone lijden met het oog op de glorie van morgen.

Alle gedweep.

Alle posters op de muren van mijn jongenskamer, alle foto’s uit tijdschriften en kranten. Luc Nilis, Marc Degryse, ja zelfs Bruno Versavel en Filip De Wilde. RSC Anderlecht is de muze, onbereikbaar en bloedmooi.

Een van mijn levendigste jeugdherinneringen is de 5-3 van Anderlecht op het veld van Werder Bremen. 8 december 1993.

Bij een 0-3 ruststand ga ik slapen, na doelpunten van Philippe Albert en Danny Boffin (twee). Een uur later hoor ik mijn vader de trap op komen.

“Zoon”, fluistert hij. “Slaap je al?”

“Nee.”

“Het is nog 5-3 geworden.”

“Wat?”

“Slaapwel.”

Mijn wereld stort in elkaar. God is niet dood. God is gewoon een onmens. Hoe kun je nu in een rechtvaardige wereld geloven als een 0-3 ruststand zomaar – je lette even niet goed op – tot een 5-3 einduitslag leidt? Als Philippe Albert niét de sterkste man ter wereld blijkt? Als de verrijzenis aan de verkeerde kant gebeurt?

Mijn hoofdkussen maakt het snikken heimelijk.

V.

Alles begint in de tuin en op mijn achtste krijg ik mijn eerste lidkaart. In een schriftje dat ik pas onlangs ontdekte, staan zinnen mijn vader: ‘Aansluiting bij voetbalclub Deerlijk Sport (groen-wit) op 18 september 1993. Heeft ondertussen een viertal trainingen achter de rug. Eerste wedstrijdaanduiding gebeurt op zaterdag 2 oktober 1993. Wedstrijd (preminiemen) NS Heule – Deerlijk.’

Verderop: ‘Deerlijk – Harelbeke: 0-1. Lander gestart als centrale middenvelder. Loopt er wat onwennig en verloren bij.’

Ik ben ontroerd als ik het lees.

Mijn eerste schot op doel komt er op 16 oktober 1993. Mijn eerste doelpunt een week later. ‘Doe zo verder’, schrijft mijn vader.

Ik beeld me zijn trots in. Je zoon zien scoren, is dat niet waarom je vader wordt?

VI.

De wedstrijd in Visé wordt op 7 november 2004 gespeeld. Negentien ben ik, student geschiedenis aan de Universiteit van Gent. Na een jeugd bij KVC Deerlijk Sport, KV Kortrijk en Racing Harelbeke ben ik bij het KSV Roeselare van trainer Dennis van Wijk en manager Luc Devroe beland, een tweedeklasser met ambitie.

Kapitein Fred Vanderbiest is de aanjager. Steve Barbé de draaischijf. Aziz Nouhass en Christophe Lauwers de goaltjesdieven op vinkenslag.

“Oi mannetje”, zegt Van Wijk opeens.

“Euh. Hallo. Dag trainer.”

“Hou je klaar. Ik zal je dit seizoen nog kunnen gebruiken.”

“Euh. Ja. Oké.”

Bij het belofte-elftal beleef ik een boerenjaar. We winnen de Voskescup, een jongerencompetitie met teams uit eerste en tweede klasse. In de finale verslaan we Club Brugge. Zij hebben Glenn Verbauwhede, Nicolas Lombaerts en Jason Vandelannoite op het veld, de toekomst van het Belgische voetbal.

Dat seizoen scoor ik meer dan gewoonlijk. Geen idee waarom, het mooie aan topvorm is juist de onverklaarbaarheid. Vertrouwen speelt een rol. Vaardigheid misschien. Puur toeval zeker ook.

Het is wat mij aan voetbal stoort: veel meer dan andere sporten is het op geluk gebaseerd, op de niet te trainen speling van het lot.

Wat mij nog aan voetbal stoort:

  • de tolerantie tegenover racisme, zowel op als naast het veld
  • truitjetrek
  • het geroep van een trainer
  • de korte hoekschop en de lange inworp
  • spanbroeken
  • de almacht van het geld
  • de fluorescerende uitrusting van een scheidsrechter
  • de knie van een verdediger in mijn rug

Een fijne spits ben ik niet. Lopen, duwen, vervelend zijn: dat is mijn taak. Ik moet ‘wegen’ op een verdediging. Komt er een voorzet van de zijkant, dan werp ik me ertegen. Krijg ik een bal in de voet, dan springt hij weg, als zijn bal en voet tegengestelde polen van dezelfde magneet.

Eigenlijk wilde ik doelman worden. Meer nog dan Pete Sampras of Michael Schumacher was Edwin van der Sar een jeugdheld: goede voeten, altijd kalm, het symbool van succesteam Ajax. Mijn vader zei: “Doelman? Niks van. Op het veld moet je staan.” Hij had iets tegen doelmannen. Ik weet nog altijd niet wat. Misschien dacht hij dat spitsen meer waardering zouden krijgen? Mooi niet. Ik hoor het de supporters nog roepen: “Godverdomme, waar hebben ze die gevonden?”

Toch krijg ik mijn kans. Van Wijk is een trainer van powerplay, van het zogenaamde Engelse voetbal, van “lange halen, snel thuis”. Blijkbaar pas ik in dat systeem.

Mijn debuut in de basis maak ik in december 2004 in het Regenboogstadion in Waregem en na vijf minuten komt mijn opmars al tot stilstand. Ik ga alleen op de doelman af, krijg een stroomstoot in de kop en mis.

Iemand roept: “Tjoolder!

Een ander: “Vervanging!”

Nog een ander: “Chinese poedel!”

(Ik had krullen waarop zelfs Marouane Fellaini jaloers zou zijn.)

We spelen gelijk – Zulte-Waregem wordt dat jaar kampioen – en ik zal nog drie keer starten en vijftien keer invallen, maar voor mezelf, de medespelers en de staf wordt daar en dan duidelijk: tot hier en niet verder.

Het seizoen eindigt op 29 mei 2005 op het veld van Verbroedering Geel. Peter Maes is er trainer, het stadion uitverkocht. Ik start op de bank. Het is de voorlaatste wedstrijd van de eindronde, met voorts ook Red Star Waasland en FC Antwerp.

Aan de wedstrijd zelf bewaar ik geen herinneringen. Wel zie ik me nog het veld op spurten, diep in blessuretijd, goed voor een invalbeurt van anderhalve minuut. Ik zie me juichen bij het laatste fluitsignaal. Supporters die het veld op rennen.

Het besef: we gaan naar eerste.

Ik zie iedereen dansen en vieren, reservedoelman Wouter Biebauw, middenvelder Maxime Annys, de materiaalman bijgenaamd Koetje.

Plotseling slaat de bliksem in: het is voorbij, het stopt hier.

VII.

Als ik aan mijn leven als een voetballer denk, het gebeurt nog zelden, denk ik nooit aan wedstrijden. Visé, Waregem en Geel zijn uitzonderingen, stukjes wrakhout in een oceaan van tijd.

Ik denk aan drank. Wodka die per fles en niet per glas wordt besteld. Warme Duvels, we kopen ze in een tankstation en drinken ze op de bus veel te snel leeg. Flessen champagne onder de douche, bij het vieren van de promotie.

Ik denk aan drugs. De verdediger die na marihuanagebruik wordt geschorst. De cocaïne, beschikbaar op de achterbank van een spelersauto. De extacy pil, blinkend in de handpalm van de medespeler. Het is bijna ochtend, we staan in een discotheek in Roeselare. Ik weet niet wat me overkomt.

Ik denk aan seks. De middenvelder die zijn vrouw alle hoeken van het toilet laat zien. De deur wijd open, het café bomvol. De verhalen over Acanthus, een bar langs een steenweg waarover na elke dinsdagtraining met vlammende ogen wordt gesproken.

Ook aan de vrouw van de speler denk ik, natuurlijk denk ik aan de vrouw van de speler. Ze is oogverblindend mooi.

Na een wedstrijd spreekt ze me aan. “Hallo”, zegt ze. “Wie ben jij?” Ik val over mijn woorden zoals ik weleens over de bal val.

Op een avond belt ze me.

“Ik zit in bad”, zegt ze. “En ik denk aan jou.”

Slik.

“Kom je niet af?”

Slik. Paniek.

“Niemand hoeft het te weten.”

Twijfel, toch maar inhaken.

Wekenlang stuurt ze berichten. Hoe meer ik die negeer, hoe feller ze wordt. Tot ze me begint te kussen in het bijzijn van haar man, aan de toog van het café waar spelers en supporters verbroederen.

Ik bestel snel een nieuwe pint.

Ze trekt aan mijn arm.

Het volgende dat ik weet is dat we samen in een huis staan, naast een bed, dat ik op haar lies een tattoo zie en in haar mond het nodige speeksel. Ik duw haar weg, loop terug naar het café. Achter mij hoor ik een deur dicht vallen.

Ik denk aan muziek. De beats in de oren van de medespelers. Mijn ontdekking van de hemel langs Blonde on Blonde: voor mij een plaat van Bob Dylan, voor hen het doel van een nachtje stappen. In mijn studentenkamer peppen Nirvana, Jimi Hendrix en Radiohead me op. In het stadion regeren Stash (‘Sadness’) en Armand Van Helden (‘My My My’).

Ik denk aan geld. De eerste wedstrijdpremie die op mijn rekening wordt gestort. De dvd-box van Twin Peaks die ik ermee koop, in de Fnac in de Veldstraat in Gent, later ook die van Seinfeld en Het Geslacht De Pauw. Het biljet van 500 euro waarmee ik om half twee ’s ochtends een rondje geef, hoogstens zes pinten sterk. Ik heb niets kleiners op zak en schaam me terwijl ik dit schrijf.

Ik denk aan de combinatie van dit alles in Amsterdam. Het is zaterdagavond. We zijn met de bus tot hier gereden, zogezegd op stage, en te voet hebben we De Wallen verkend. Iets voor achten stappen we een herenhuis bij de grachten binnen.

De Banana Bar.

Voorbij de dorpel begint de beestenboel.

Drank stroomt als goud in onze glazen. Borsten, billen, buiken worden ontbloot. Mits een toegift van vijf euro ploffen pingpongballen vanuit nauwe lichaamsgaten langs onze oren. Eén meisje schrijft een kaartje aan de voorzitter, pen tussen de onderste lippen gekneld. Muziek van 50 Cent vult de kamers.

Mannen vergeten hun vrouwen. Jongens worden mannen. Vrouwen trekken niet alleen de touwtjes strak.

Na een half uur weerklinkt een stem uit de boxen, metalig en kordaat: “De groep uit Roeselare mag het pand verlaten.”

Dronken gestommel op het bordes. Versplintering. Een nacht vol verwarring en verlangen, en op het einde een zakje friet.

Vijf maanden later, bij de promotie naar eerste klasse, vertelt trainer Dennis van Wijk aan een journalist: “Tijdens de winterstop trokken we met z’n allen naar Amsterdam. Daar legden we de basis voor dit succes.”

Als ik zijn woorden herlees, denk ik aan de medespelers die in de nacht van het promotiefeest vechtend over de grond rollen – hun hemden met bier besmeurd, trefzekerheid in de ogen. Wat hen woest heeft gemaakt, weet ik niet. Misschien iets met een vrouw?

VIII.

Ik zit op de trein. We rijden Brussel-Noord binnen, een splijtzwam in de stad. Zoals altijd valt mijn oog op de twee Proximus-torens, vooral op de glazen passerelle die hen verbindt.

Links, bedenk ik, staat mijn jeugd.

Rechts is de rest van mijn leven.

Mijn jaren bij KSV Roeselare vormen de passerelle, beide delen stilletjes aan elkaar lijmend.

Ervoor ben ik een jongen uit een dorp. Ik groei zorgeloos op, onder een stolp haast.

Naar fuiven ga ik nooit: ik vind het saai, lust geen alcohol en bij het zien van een meisje slaan niet mijn hormonen maar mijn zenuwen op hol.

Voetballen doe ik met leeftijdsgenoten. Spelplezier is mijn benzine, winnen bijzaak. De ontgoocheling na een nederlaag duurt vijf minuten, ongeveer de tijd die ik nodig heb om een zakje rode ‘poepkes’ of een Koetjesreep naar binnen te werken. Een gele limonade helpt ook altijd.

Erna waan ik me nog steeds een jongen, maar ik ben uit het dorp gehaald.

‘Poepkes’ worden vrouwenkonten.

Gele limonade bier.

De speelplaats een veld, omgeven door tribunes vol vreemde mensen, roepend en scheldend.

Het is niet zo dat mijn wereld alleen maar dankzij het voetbal opentrekt. Ook andere factoren spelen een rol: de leeftijd, de studies, het daarmee verbonden nachtleven, nieuwe vriendschappen en dus nieuwe impulsen.

Hoe dan ook, hoe meer ik voetbal speel, hoe minder ik me voetballer voel. Op de posters aan de muren van mijn kamer worden de gezichten steeds ruwer, hun baarden steeds langer. Ik wil niet langer Luc Nilis of Marc Emmers zijn. Tony Soprano is mijn nieuwe held. Rock-‘n-roll trekt me aan, niet 4-4-2.

IX.

Ik was gewoon niet goed genoeg, laten we eerlijk zijn.

X.

Op het einde van het seizoen stijgen we naar eerste klasse. KSV Roeselare komt in de wereld van business seats en fanshops terecht, van Sportweekend en stages onder de Spaanse zon. Veel spelers vertrekken. Ik blijf.

In de Gouden 11-pronostiek van Het Laatste Nieuws ben ik negen punten waard, ongeveer een derde van Pär Zetterberg en twee meer dan Steven Defour, een belofte bij Racing Genk.

Ik maak de voorbereiding mee en heb in de kleedkamer amper contact met nieuwe spelers als Eric Joly en Wagneau Eloi (ex-Monaco). In oefenwedstrijden kom ik zelden van de bank. De belofteploeg wordt mijn hoogste doel. Soms speel ik er als rechtsachter. Tegen Racing Genk onder meer, met Bob Peeters en Marvin Ogunjimi.

De knipselmap van mijn moeder leert me dat ik ook tegen Vadis Odjidja, Walter Baseggio en Aristide Bancé heb gespeeld, maar dat zijn schimmen, voorgoed in het spookkasteel van mijn herinneringen verdwenen.

XI.

Het dichtst bij de jongensdroom kom ik op een zondagmiddag in september. We spelen tegen AA Gent en ik ben geselecteerd. Door schorsingen en blessures staat mijn naam voor het eerst dit seizoen op de lijst die elke vrijdag in de kleedkamer hangt.

Op dat moment voel ik me allang geen deel van het geheel meer. De feestjes zijn door stilte vervangen. Geen vrouw probeert me nog te versieren. Geen pint wordt me nog getrakteerd. Ik ben een restletsel, een strompelend litteken van een voorbije tijd.

De wedstrijd eindigt op een gelijkspel: 1-1. Mbark Boussoufa maakt enkele knappe acties. Het publiek is enthousiast. Na veertig minuten schrik ik. Spits Christophe Lauwers moet naar de kant. Even denk ik het veld op te mogen rennen. Twee seconden maar. Tot blijkt dat ik rustig mag blijven zitten, als toeschouwer van mijn eigen droom.

Het is warm in de zon.

XII.

Een week later verschijnt er in een regionale krant een interview met Wouter Biebauw, Wouter Vandendriessche en ikzelf. Drie jeugdspelers van KVC Deerlijk Sport, alle drie in eerste klasse beland (Vandendriessche speelde later Europees met Zulte-Waregem, Biebauw stond afgelopen seizoen enkele wedstrijden bij KV Oostende onder de lat).

“Als er zich geen kansen voordoen”, zeg ik in de typische taal van de regiojournalist, “moet ik misschien toch andere oorden opzoeken.”

In december komt de bevrijding. VG Oostende wil me, een vierdeklasser met een losgeslagen voorzitter en een sterke spelerskern.

De eerste maand krijg ik de sportwagen van de vrouw van de ondervoorzitter in bruikleen.

Eén keer trek ik alle registers open, op de snelweg tussen Deerlijk en Kruishoutem. Het is de nekslag aan mijn voetbaldroom. Het meisje dat naast me zit, interesseert me meer dan de snelle wagen, het salaris, de eindeloze carrousel van bal vasthouden en bijsluiten! balcirculatie! de beuk erin!

Ook de voetbalkantine wordt me stilaan te veel.

Uiteraard schuilt er veel schoonheid in het voetbal:

  • het veld van Racing Mater
  • de korte, euforische gedachteloosheid na een doelpunt
  • Jari Litmanen
  • het scorebord in Brasserie Verschueren, op de Parvis in Sint-Gillis Brussel
  • het loopje van een lijnrechter
  • de schilderijen van Raoul De Keyser
  • Football Manager 2000
  • de truitjes van Boca Juniors
  • de dubbele schaar

XIII.

Het avontuur in Oostende draait op niets uit. We blijven in bevordering hangen, de voorzitter wordt ziek. Ik stap naar derdeklasser KSV Sottegem over en speel er tegen toekomstige sterren als Laurent Depoitre en Thorgan Hazard. Meer valt er niet over te zeggen. Bij Olsa Brakel beleef ik een tweede jeugd. We zijn vrienden en verstaan elkaar. Het leven is simpel: in de week ga je werken, ’s zondags speel je voetbal.

Mijn beslissing om te stoppen heb ik me nog geen moment beklaagd, maar op mijn passage in Brakel kijk ik soms met weemoed terug.

Alleen al door het afscheid: in het allerlaatste kwartier van mijn allerlaatste wedstrijd in een officiële competitie krijg ik de bal verkeerd op het hoofd. Brakel naar derde, ik op rust.

“Deweer kopt Olsa naar derde”, staat een dag later in de krant. “Brakel speelt volgend seizoen voor het eerst in de geschiedenis van de club in derde klasse.”

De avond van mijn kopbal krijg ik tranen in de ogen. Ik weet dat ik iets anders met mijn leven moet doen, iets anders dan van juli tot mei elke dinsdag, donderdag, vrijdag en zondagmiddag op een grasveld staan.

Ik vertrek op wereldreis, van Nieuw-Zeeland tot Bolivia, en neem erna mijn job als journalist weer op.

Een jaar later verschijnt het nieuwe stickerboek van Panini, voortaan ook met derdeklassers. Dat is even slikken.

XIV.

Ach.

Mijn leven is goed nu.

Ik speel zaalvoetbal in Brussel en veldvoetbal in een liefhebberscompetitie in Kortrijk. Supporters zijn er niet. Een trainer evenmin. Medespelers zijn vrienden, geen concurrenten. Of hun vrouwen tattoo’s hebben, weet ik niet.

Eerste klasse volg ik zoals iedereen: via kranten en tv.

In Visé ben ik sinds die zondag in 2004 niet meer geweest.

Tak, tak, tàk.

Rakelings scheert de tennisbal de vensterbank vol vrouwentongen.

Dit verhaal is opgedragen aan Cyriel Detremmerie (1985-2016), mijn oud-ploegmaat bij KSV Roeselare.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
lander-deweer-pasfotoLander Deweer (1985) schreef als jongetje in een vriendenboek al dat voetbal zijn favoriete sport was; Anderlecht en Juventus waren zijn clubs. Hij studeerde later Geschiedenis in Gent en werkte tussen 2009 en 2014 voor dagblad De Morgen. Inmiddels is hij freelancer, onder meer voor wielertijdschrift Bahamontes en voetbalbroertje Puskas. Voor het eerste nummer van het laatstgenoemde magazine schreef hij dit in Meestervertellers opgenomen verhaal. In 2015 verscheen Onze borst: dagboek van kanker, over de moeilijke periode nadat borstkanker was geconstateerd bij zijn vriendin Inge.
Waarom dit verhaal?

Je zou die achteloos geschetste openingsscène toch boven je bed willen hangen, als voetbalromanticus. Die waarin de vriendin van Lander Deweer - de auteur van dit magnifieke ik-verhaal - thuis komt en hem aantreft met een balletje aan zijn voet, in verbeelding weer even de Michel Laudrup of Dennis Bergkamp aan wie hij zichzelf ooit, korte tijd, daadwerkelijk dacht te kunnen spiegelen. Want Deweer had het leven als profvoetballer binnen bereik, zo leren we. Hij speelde bijna op het hoogste Belgische niveau en, misschien nog belangrijker, was dus bijna een Panini-plaatje. Nu hij het leven van reservebanken en teamuitjes naar de Amsterdamse Wallen ver achter zich gelaten heeft, gaat hij in zijn herinneringen op zoek naar redenen voor het net-niet. Deweer speelt met vorm en stijl, legt zelfspot en zuivere nostalgie aan de dag en vertedert als antiheld in zijn eigen verhaal. Leverde falen maar vaker zo’n pracht op, dan zouden we er niet zo bang voor hoeven zijn.

Toelichting van de maker

Tuurlijk.

Tuurlijk wilde ik aan Puskas meewerken, het voetbalbroertje van het wielertijdschrift Bahamontes. Ik twijfelde geen moment.

Of ik een verhaal over mijn eigen voetbalcarrière wilde maken?

Oei.

Dat was lastiger.

Ik voelde schroom om over mezelf te schrijven, wilde ook geen nestbevuiler zijn.

Toch hapte ik toe. Stiekem dacht ik er al langer aan, dit was het juiste moment. Door erover te schrijven kon ik een periode afsluiten. Lees meer

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

Altijd vertrouwen

Altijd Vertrouwen

Deze week zijn de Paralympische Spelen in Rio. Roeier Alexander van Holk doet mee. Samen met Sander Pleij kijkt hij vooruit naar de wedstrijd en terug op zijn leven. ‘Niet denken aan de pijn.’

De nacht

Jan zegt je moet de spanning toelaten. Probeer die niet van je af te zetten, je krijgt ’m toch. En als-ie komt, focus je dan op je taak. Wat je moet doen: goed plaatsen, niet te lang doorhalen, de bladen kort in het water houden, ruimte maken, vlot terugdraaien.

Hij zal het visualiseren, straks in bed, in Rio, de nacht voor de strijd. Met zijn armen of alleen zijn handen maakt hij dan de bewegingen – doet hij nu al soms. Wat kan hij straks controleren? Stiekem zal hij ook even denken aan de mogelijke uitslag: met wie zit hij in de heat? Wie moet hij kunnen pakken? Daar krijgt hij zin van. Zin om het theoretische resultaat tot realiteit te maken. Wordt hij zó enthousiast van, moet hij zichzelf tot rust brengen. Zoveel zin dat hij anders niet meer kan slapen.

Maar als hij eenmaal slaapt, dan slaapt hij wel door. Straks.

Zijn verhaal: winnen

De boot betaalt hij zelf, het maandenlange verlof van zijn werk ook. Is niet erg, hij verdient veel. Dat is wel zo fijn als je een handicap hebt en van alles in aangepaste vorm nodig hebt. Het is fucking cool natuurlijk dat hij naar Rio gaat. En leuk om rolmodel zijn. Leuk als mensen met een dwarslaesie of handicap zien dat je desondanks mooie dingen kan doen. Dat hij die inspiratie biedt. Ook aan niet-gehandicapten trouwens. Maar zou dat zijn waarom hij het doet? Hij zoekt ook gewoon nieuwe uitdagingen, is al zes jaar heel succesvol als investment banker in de Londense City en wil dat het leven niet saai wordt, dat er méér is. Zijn vrouw noemt hem wel eens verwend, dan zegt ze dat hij gewend is om altijd succes te hebben, met zijn aanstekelijke lach, uiterlijk, zijn intelligentie, omdat hij zo aardig is tegen mensen, en dan dat doorzettingsvermogen. Zegt ze ook nog dat hij geniet van al die aandacht. Maar toch, nu, is dat waarom hij het doet? Hij zit vlak voor hij naar Rio vliegt en hij wil maar één ding: hij wil slágen.

Hij wil winnen.

Hij genoot erg van het sportleven, dat gevoel van jezelf helemaal tot het uiterste pushen.

De ochtend

Het zal heel vroeg zijn, waarschijnlijk nog maar een uur of vijf, zes. Hij zal niet eens meteen weten wat er aan de hand is, waar hij is. Eerst wakker worden. Dan aankleden, tas inpakken, checklist nalopen: roeipakje, ondertruitje, speedcoach, bruistabletten voor in zijn drank- je. Gaat hij het wel op tijd halen? Ja, als je naar Luise moet luisteren, die zegt dat hij áltijd en óveral te laat komt. Ze zegt dat het boek over zijn leven Running Late zou moeten heten. Licht ontbijt, wat small talk, busje in, laatste berichtjes sturen naar familie, vrouw. Zín.

Zijn verhaal: enthousiasme

Een oude vriend was getuige op zijn huwelijk en vertelde er hoe de twee eens op vakantie samen naar een rivier liepen. Het was sneller om door een veld te lopen maar daar stond een hek omheen en een vervaarlijk uitziende zwarte hengst in. De vriend zei: omlopen. Nee, Alexander klom over het hek. Hij zou wel zien wat er gebeurde. Rustig liep hij het veld in. De vriend zei: jij kijkt altijd snel, schat in, dan ga je en je ziet wel hoe het loopt, want jij vertrouwt altijd op je capaciteiten om jezelf te redden. Dat klopt wel, maar uit dat veld was hij snel teruggekeerd toen de hengst briesend op hem was afgekomen.
 Dat zelfvertrouwen, hij heeft gewoon altijd het vertrouwen gehad dat de dingen goed komen. Hij is een optimist. Zo is hij geboren. En hij is heel beschermd opgevoed als Hollands expat-kindje in Engeland, op zijn vijftiende speelde hij nog soldaatje in de bosjes. Echte sportman ook, hij genoot erg van het sportleven, dat gevoel van jezelf op de training helemaal tot het uiterste pushen, bijkans kruipend van het veld afkomen omdat je alles hebt gegeven, zelfs de conditietrainingen vond hij heerlijk. Op zijn zestiende stond hij op het punt door te breken in het eerste van zijn hockeyclub, hoofdklasse was dat, met internationals in het team.

Nog heel lang had hij dromen waarin hij weer hockeyde. Daar heeft hij wel moeite mee gehad.

Op school was hij ook zo enthousiast hoor. Nieuwe dingen leren vond hij heel leuk. Vakken als geschiedenis: geweldig, wiskunde ook. Over economie ging hij al in de bibliotheek lezen voor hij het kreeg. Zijn enthousiasme, intuïtief alles doen, het leek allemaal vanzelf te gaan.

Nog 90 minuten

Het stadion: wedstrijdpakje aan, bidon vullen, naar de wc. Chillen. Probeert-ie met iedereen een praatje te maken, ook met de andere roeiers. Flauw grapje met de Italiaan: Piano hè? No, you piano! En dan routine, vaste routine, alles gepland. Nog 50 minuten: coach Jan Klerks en teammanager Merel L’Ami (beiden vrijwillig voor hem aan het werk) komen aanlopen met de boot. Nog 45 minuten: hij gaat te water; het meer moet prachtig zijn, het ligt midden in Rio en hij zal er al een paar dagen aan hebben kunnen wennen. Nog 40 à 35 minuten: de warming up begint. Inpeddelen, rustig, rustig, focus op lange halen maken. Snelheid erin en even 500 meter op 90 procent pakken. Moe maken. De eerste vermoeidheid al gevoeld hebben, daar straks niet van schrikken. Het systeem even hebben aangezet. Nog 20 minuten: startjes oefenen. Nog 8 minuten: er wordt omgeroepen, hij moet naar de start gaan, komt hij altijd aan met een gevoel van vertrouwen, dat weet hij nu al. Hij is áltijd tevreden met de warming-up. Nog 4 minuten: helemaal klaar gaan liggen. De bidon leegmaken, op een laatste slokje na, voor na de finish. Nog één keer het raceplan doornemen, proberen te genieten van het moment, de entourage, een praatje met degene die het bootje vasthoudt. Nog 2 minuten: rustig focussen op wat je gaat doen, de aandachtspuntjes. De zes landen worden omgeroepen. Na de zesde weet je: het gaat beginnen.

Nul minuten: Attention, wordt er geroepen, wachten… Go!

Zijn verhaal: het ongeluk

Waanzinnig leuk natuurlijk. ’s Ochtends vroeg met z’n allen op weg naar de Alpen. Hij weet het nog wel, heeft het bewust meegemaakt. Het oudere zusje reed en ergens tussen Reims en Troyes verloor ze de macht over het stuur. De auto is in een slip geraakt, over de kop geslagen en ergens in dat ogenblik is hij eruit geslingerd. Hij weet nog hoe het begon. Een beetje een gek gevoel was dat, van enerzijds: wow, dit is erg, maar ook van: dit is bruut, dit is een soort achtbaan, enorme krachten die loskwamen. Gek genoeg geen paniek. Weer dat vertrouwen, dit gaat goed aflopen. Hij is tegen een klein boompje aangekomen. De klap is zo enorm geweest, een hele ruggenwervel was uit elkaar. Lag hij in de berm, de auto iets verderop en wilde hij opstaan, maar dat lukte niet. Heel veel pijn in zijn onderrug, in zijn buik, en hij voelde zijn benen niet, alsof hij een knietje in zijn dijbeen had gekregen, een soort slapend been dat hij even moest afschudden. Hij probeerde op te staan, maar mensen begonnen van: nee, nee, niet bewegen. Kwam de brandweer erbij en die legden zo’n brace om zijn nek, stabiliserend. Zijn kleren werden van zijn lichaam gerukt, hij weet nog precies wat hij toen dacht, van die gekke dingen als: straks kan ik niet skiën, dan gaat de wintersport niet door! En: dit is mijn favoriete broek, moeten ze die nou kapot knippen? Ja, hij weet, hij vertelt alles lachend, maar zo is hij nou een- maal. Toen hij een helikopter in moest, dacht hij ook voor de ene helft: wow, dit is best wel erg, maar voor de andere: cool, ik ga voor het eerst in een helikopter.

Hij weet ook nog dat de artsen het vertelden: je hebt je rug gebroken en je kan waarschijnlijk niet meer lopen. Het enige wat hij zich daar nog van herinnert, is zijn vraag: maar kan ik dan nog seks hebben? Echt zo’n mannetje van zestien die het daar even nodig vond om nog een brutale grap te maken.

De anderen hebben geen blijvend letsel opgelopen. Alleen hij. Hij had geen riem om op de achterbank. Hij is ze eigenlijk een beetje uit het oog verloren. Het meisje dat aan het stuur zat, heeft hij jaren later nog wel eens gezien, toen hij aan het skiën was bij de skilift. Wel een apart moment was dat, misschien egoïstisch van hem maar hij was eigenlijk nooit meer met hen bezig geweest. Hij heeft haar gezegd dat het allemaal goed ging.

De start

Vijf halen (hij maakt nu meer dan 40 slagen per minuut), zo snel mogelijk op gang komen, máár: netjes en clean. Eerst het blad in het water plaatsen, dan rustig druk zetten. Een boot is logge massa. Als je harder drukt dan het water in beweging kan komen, rem je jezelf af.

Goed roeien is heel natuurkundig. Tijdens het roeien probeert hij de krachten te visualiseren. Als de plaatjes uit zijn oude schoolboeken. Ritme zoeken, sneller, meer druk onder water uitoefenen plus snellere recovery, voelen: is dit sustainable? Is de kracht onder water niet te veel voor de recovery, waarin de spieren de afvalstoffen moeten verwijderen? De optimale agressiviteit, máár: controle. Genoeg ruimte maken om je blad te keren (aandachtspuntje). Te snel betekent: misslagen.

Zijn verhaal: opstaan


Nog in Frankrijk werd de beslissing gemaakt te stabiliseren, werden er schroeven en metalen platen in zijn onderrug gezet en kon-ie die meteen weer belasten. Na een week was hij fit genoeg om getransporteerd te worden. Terug naar Engeland. Kon hij zo het gerenommeerde Stoke Mandeville revalidatieziekenhuis in. Daar lag hij dan, het was oud en nieuw, goed en wel een week na het ongeluk en hij had zich voorgenomen snel in een rolstoel te gaan zitten. Bewégen! Ze takelden hem uit bed. Nou, na vijf minuten rechtop zitten, was hij zo duizelig, haha! Moest hij weer op bed gaan liggen. Toen had hij wel even gedacht van: wow, ik moet echt weer even op nul beginnen, als ik niet eens meer kan zitten, dit is erger dan ik dacht.

Hij kon bijna niks meer, moest worden aangekleed, getakeld, geholpen met naar de wc gaan. Alles opnieuw leren. Maar hij zag mensen die echt zwaar verlamd waren. En een wat oudere man die weer alles zelf deed. Toen had hij gedacht: dat wil ik ook. Dat wordt mijn doel: zo snel mogelijk leren hoe ik mijn eigen kleren aantrek. Iedere keer zeggen: laat maar, ik probeer het zelf wel.

De psycholoog van het ziekenhuis bood ondersteuning aan. Maar hij had het eigenlijk ge- woon geaccepteerd. Hij wilde vooruitkijken. Zijn vriendinnetje, nog heel pril, had gezegd dat ze natuurlijk bij hem wilde blijven. Nou, toen had hij wel even jankend aan de telefoon gezeten. Het besef dat mensen nog steeds van hem konden houden en bij hem wilden zijn, dat was heel goed voor zijn zelfvertrouwen geweest. En zijn statige grootmoeder had ook indruk gemaakt, die had koel geconstateerd: ‘President Roosevelt zat ook in een rolstoel, dus jij kunt altijd nog president van de Verenigde Staten worden.’ Hij wil gewoon altijd dóór, leuke dingen doen.

Balen wel dat hij niet meer kon hockeyen. Nog heel lang had hij dromen waarin hij hockeyde, omdat hij niet meer kon hockeyen was hij dan maar keeper, en dan bedacht hij in de droom opeens van: hé, als ik nog kan keepen, dan kan ik dus ook nog staan op mijn benen, maar als ik op mijn benen kan staan, dan kan ik ook nog hockeyen! En dan hockeyde hij weer. In zijn droom. Daar heeft hij wel moeite mee gehad.

Nog 975 meter

Tien halen nu, tot de 100 meter, 38 à 39 slagen per minuut, doorbouwen. Dit zijn de gratis slagen: je explosieve kracht, je optimale vermogen. De hartslag is tot nu toe laag, hij verzuurt nog niet. Tien halen gaan lekker. Doorrammen.

Zijn verhaal: de uitdaging

Twee maanden heeft hij in Stoke Mandeville gezeten. Op school had hij de twee maanden afwezigheid snel ingehaald. Oxford was een mooi volgend doel geweest, maar hé: hij faalde. Was veel te nonchalant de toelatingsgesprekken gaan doen – voor filosofie had hij ter voorbereiding het jeugdboek De wereld van Sofie gelezen. Tja, op school was het hem zo gemakkelijk afgegaan. Was hij nu toch redelijk door de mand gevallen. Tegen zijn moeder zei hij: ‘Mam, voor het eerst in mijn leven gaat het niet zoals ik wil.’

Dat was dus na het ongeluk. 
Hij was gaan studeren in Groningen: geweldig gezellig, Vindicat, heel fanatiek is hij van het leven gaan genieten, zeg maar. Geen sport, na het afstuderen ging hij werken in Londen. In 2008 begon hij bij Morgan Stanly, een paar maanden voor de crisis en ja, dat was spannend maar bang voor ontslag was hij niet geweest. Tijdens zijn stage had hij laten zien dat hij goed was. Gewoon hard doorwerken dus. Ja, zelfvertrouwen heeft hij wel.

Hij kreeg weer zin serieus aan sport te doen. Echt ergens naartoe werken. Niet per se recreatief. Hij was toch sterk genoeg. Hees zich al- tijd met rolstoel en al Londense taxi’s in en dan zei zo’n chauffeur: You must be in the Paralympics mate. Toen kwamen de Olympische Spelen in Londen, 2012, hij ging kijken, fantastisch, raakte bevangen door de sfeer, en een paar weken later de Paralympics, die de- den er niet voor onder.

Als hij zich nu, wanneer het weer eens druilerig regent op de Bosbaan, afvraagt: Waarom? Ja, dan denkt hij dat het toch gewoon die sportieve uitdaging was, kijken of je met heel hard trainen tegen andere mensen die heel hard trainen, kunt laten zien dat jij beter bent, dat jij die wedstrijd wint. Hij houdt van dat competitieve.

Nog 900 meter

Nu van 100 naar 400: zo’n 300 meter in pak- weg 54 halen, hij haalt 35 à 36 slagen per minuut en gaat over van de gratis halen naar de sustainable halen: mooi lang gecontroleerd, de boot loopt goed door. Bij slechte halen remt de boot af. Dan worden ze niet nauwkeurig genoeg geplaatst, of te veel op snelheid en krijgt de haal niet genoeg energie mee. Hij moet in zijn kop de rust zoeken. Hij wil meer doen maar dat moet ónder water, mán, hij moet nadenken, analyseren: wat is de sustainable kracht die ik wil leveren? Na 300 meter denkt hij: eigenlijk gingen de vorige 300 vanzelf, nu moet ik gaan doorzetten. Doorbijten. Maar hij denkt: ik moet nog wel 700 meter. Even kijken naar de tegenstanders. Waar zit ik in de race? Maar je niet laten beïnvloeden. Je psychologische gesteldheid heeft heel veel invloed, maar die probeer je door trainen uit te schakelen. Hard, hij wil harder als het lekker gaat. Maar als je meer probeert te doen… je moet ook heel technisch blijven. Héél harde halen in het begin: je houdt het niet vol.

Zijn verhaal: het zelfvertrouwen

Bij zijn sollicitatie ging alles mis. Hij had de verkeerde formulieren naar Morgan Stanley gestuurd, zijn vliegtuig gemist, alles verneukt en toch deed hij het sollicitatiegesprek van zijn leven. Het heeft misschien te maken met de dingen die hij heeft meegemaakt, maar ook met zijn algemene instelling. Het belangrijkste is: sta alleen stil bij wat je nog kan veranderen. Makkelijk voor hem omdat het van binnen zit. Hij wordt altijd een beetje ongemakkelijk als mensen zeggen van: ik vind het heel knap van je. Dit is gewoon wie hij is. Heb dat zelfvertrouwen, zou hij iedereen wel willen zeggen. Toen hij in de revalidatie kwam, zeiden ze dat hij wel een half jaar bezig zou zijn maar hij zei: ik ga dat sneller doen, hij had dat zelfvertrouwen, het was nergens op gebaseerd, maar hij gelooft dat het heel belangrijk is, want je kan altijd wel redenen verzinnen waarom dingen fout kunnen gaan. Veel beter is het om te geloven dat je het op de een of andere manier wel kan. Of dat het goed komt. Er is echt wel een manier waarop iedereen met alle situaties om kan gaan. Zoals hij nu bij dat roeien, theoretisch is hij zevende of achtste van de wereld, maar je moet blijven geloven dat je de beste kan zijn. Want er zijn de omstandigheden, zal iedereen zijn meest perfecte tijd neerzetten?

Nog 600 meter

Van 400 tot 750 meter, nog steeds 35 à 36 sla- gen per minuut. Doorbijten nu, de pijngrens zoeken. Koppie erbij houden. De hartslag komt op een maximum, de verzuring in de spieren ook. Voor zijn gevoel doet hij hetzelfde maar de bootsnelheid loopt nu terug. De distance per stroke wordt minder. Het aantal slagen blijft consistent. De verzuring wordt meer en ook de technische uitvoering wordt minder. En dat mag niet, het moet technisch kloppen. Volgens zijn vrouw is hij een echte geek. Ja, hij houdt van cijfers en berekenen hoe het moet, en daar moet hij nu op concentreren: de analyse. Die gecontroleerd uitvoeren.

Zijn verhaal: de liefde

Luise, ze ontmoetten elkaar op een diner. Zij was bezet, hij al verliefd op een ander. Maar ze konden het zo goed vinden. Het was zo heerlijk om samen te dansen en te praten. Kwam hij nog vlak naast haar wonen ook, in een straatje bij Notting Hill. Ze spraken elkaar steeds meer, ze werden goeie vrienden, zij durfde alles aan hem te vragen. Dat zou later het handige blijken: ze wist al zoveel van hem, als ze dat aan het begin van een relatie nog allemaal hadden moeten uitvogelen. Nu had ze hem alles onbekommerd durven vragen: hoe dat ging met als hij vriendinnetjes had, hoe het zat met seks enzo, of dat ook kon. Op die laatste vraag was een suggestief antwoord gekomen: dat moest ze dan maar achterhalen als ze het wilde weten. Het was onvermijdelijk geworden. Op een nacht, het was inmiddels uit met haar vriend, dansten ze weer, na afloop rookten ze een laatste sigaret bij hem op de stoep, zij bij hem op schoot, en ja, ze zoenden. Anderhalf jaar later waren ze getrouwd en dat is nu twee jaar geleden.

Soms denkt ze: ik wil wel eens een gewoon stel zijn, niet dat leuke koppel ondanks de rolstoel

Ze heeft hem geleerd dat hij niet moet doen alsof hij Superman is, dat hij moet tonen dat hij best eens gefrustreerd is omdat hij in een stoel zit. Was ze hem in het begin een keer kwijt, vond ze hem uiteindelijk op de badkamervloer met allemaal bloed, had hij heel onhandig geprobeerd te maskeren dat hij z’n voet aan zijn stoel had gesneden.

Soms denkt ze: ik wil wel eens een gewoon stel zijn, niet dat leuke koppel dat zo danst ondanks dat hij in een rolstoel zit. Maar hij is daar immuun voor: hij is gewend dat mensen hem geweldig vinden, erkenning geven. Dat is voor hem de basis en zijn perspectief. Het komt, zegt ze, omdat hij het leven vól wil leven. Maar er is nog iets, zeg ze, waarom hij zo toegewijd is, ook aan mensen, waarom hij zichzelf maar ook jou niet snel zal opgeven en geen gelegenheid zal missen om zijn geliefden te vertellen dat hij van ze houdt.

Het heeft te maken met het ongeluk, het ándere ongeluk.

Nog 250 meter

Hij is al 750 meter bezig, nu komt de mentale boost van ik-ben-er-bijna. Maar ja, die heeft iedereen. Weer bewust kijken. Waar liggen mijn concurrenten? Heerlijk als je nu voorligt. En achter? Dan nóg een boost om het te halen. Het is nog één minuut, dat is behapbaar. Maar hij mag nog niet afsprinten. Nog 100 meter doorbouwen…

Zijn verhaal: broertje

Bram was jonger. Hij, sterke Alex, was altijd de grote broer geweest maar nu, het draaide een beetje om, de verhoudingen. Ze smeedden meteen nieuwe plannen, hadden ideeën over touwen die ze door het hele huis gingen spannen zodat Alexander overal naartoe kon klimmen. Nou ja, zoals broers, met z’n tweeën. Als Alex moest worden geholpen, dan stond zijn broertje klaar. Die hielp. Hij was ook meteen na het ongeluk in Frankrijk. Ging-ie om Alex op te vrolijken wheelies maken in een rolstoel, of opeens opstaan en dat de mensen dan de ogen uit hun kop staarden.

Vlak voor het gebeurde, waren ze samen naar Zuid-Afrika, met het schoolhockey- en rugbyteam. Alex mee omdat het zijn oude team was, zijn broertje als een van de jongere hockeyspelers, die een beetje cool probeerde te doen voor de vrienden van zijn grote broer. Had-ie zelfs z’n kop kaal laten scheren. Alex heeft… nou ja, hem laten merken dat hij dat dus totaal niet cool vond en het eerder gênant was. Nou ja, hij is gewoon best een klootzak geweest daarin.
Terug in Nederland hebben ze nog één dag gezellig met elkaar doorgebracht voor Alex een week ging zeilen. Het was de zomer na het ongeluk van Alex.

De laatste dag van die zeilweek, op weg naar de haven, wachtend voor de laatste brug, zag hij de auto van zijn ouders aan komen rijden. Hij zwaaide. Zijn zusje zag hem, de auto stopte en zijn broertje en zusje stapten uit. Vol enthousiasme kwam Bram naar hem toe rennen. Bij het oversteken van de weg is hij geschept. Op dat moment dacht hij, Alex, nog: het is een grote, sterke jongen, een rugbyer, het zal vast niet zo erg zijn. Het komt goed. Hij haalde ook nog adem en er was echt niet heel veel bloed. In het ziekenhuis bleek al snel dat hij het niet zou redden.

Zijn ouders, het was verschrikkelijk. De dood van iemand die zo lief is en die je zo dierbaar is, die zo dicht bij je staat, dat is het ergste wat er is, het is zo finaal en absoluut, er is gewoon niks meer.

Dat hij in die laatste week die hij met hem had doorgebracht een beetje een klootzak was geweest. Het heeft niet hun relatie als broers gedefinieerd, ze waren heel goed samen, ze hebben een heel mooie jeugd gehad, altijd samen gespeeld. Het is wel dat hij besefte: wees geen

klootzak. Hoezo je ergeren aan iemand die cool wil doen? Het enige wat echt belangrijk is in het leven zijn de mensen van wie je houdt, je familie, je vrienden. Naar de Spelen gaan, het is hartstikke mooi maar belangrijk is het niet.

Nog 150 meter

Van hier kan hij de slagen tellen: nog 30. Smijten met de laatste krachten, stroke rate een laatste keer opbouwen, afsprinten: 37 of méér halen per minuut. Zo hard mogelijk. Alles ge- ven, maakt niet uit hoe. Alles eruit peuren. Denken: dit is waar je het allemaal voor gedaan hebt. Nee: niet denken maar concentreren. Niet denken aan de pijn. Het lichaam zegt: stop! Waarom doorgaan? Je kan gewoon stoppen hoor. Dat mentale spel met jezelf, het is een debat. Er zit écht nog wat in de tank. Flitst zijn leven door hem heen? Zijn broertje? Nee. Nee. Hij stelt zich alleen voor dat hij het haalt, hij gaat ervan uit dat het kán…

Dit verhaal is gepubliceerd vlak voor de Paralympische Spelen in Rio in september 2016.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
pleijSander Pleij (1970) is redacteur kunst en boeken bij Vrij Nederland. Hij studeerde Moderne Letterkunde en Film & Televisiewetenschappen. Na zijn studie hielp hij mee het tv-programma Barend & Van Dorp op te richten en was hij redacteur en adjunct-hoofdredacteur bij De Groene Amsterdammer. Samen met Joeri Boom won hij in 1997 het Gouden Pennetje voor journalistiek talent. In 2014 won hij de Mercur voor beste tijdschriftreportage van het jaar voor zijn portret van Rem Koolhaas.
Waarom dit verhaal?

Sander Pleij schrijft nooit zomaar een verhaal, hij denkt altijd na over de vorm. En die is nooit standaard, telkens gebeurt er iets bijzonders, iets eigenzinnigs. Zo ook in dit verhaal, waarin de geïnterviewde – een paralympische roeier – de aankomende wedstrijd visualiseert. Zijn gedachten over die wedstrijd worden doorsneden met het verhaal van zijn leven. Het is spannend om te lezen, zonder dat je de daadwerkelijke wedstrijd meemaakt. Dat kon ook niet, het gaat over een wedstrijd op de Paralympische Spelen, die bij het schrijven van dit stuk nog moest plaatsvinden. Bovendien lopen er twee spanningsbogen door elkaar heen: die van de wedstrijd en de enerverende gebeurtenissen in het leven van de roeier. De geïnterviewde wordt geparafraseerd, niet sprekend opgevoerd. Dat maakt hem nog meer tot een personage in dit verhaal.

Toelichting van de maker

Mijn collega Nynke van Verschuer is er eigenlijk voor verantwoordelijk dat ik dit artikel schreef. Zij stelde me voor een verhaal te maken over Alexander van Holk en sprak met ons af in een café. Aan de cafétafel torende Van Holk met zijn lange sportlijf boven me uit en hij bleek een krachtige en vrolijke persoonlijkheid. Hij wist me direct te boeien met verhalen over zijn werk als investment banker en met zijn ambitie een Olympische medaille te winnen. Lees meer

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

Man met de microfoon

Man met de microfoon is het eerste radioprogramma zonder omroep. Radiomaker Chris Bajema gaat op zoek naar verhalen uit zijn eigen stadswijk. Daarbij stuit hij op bijzondere verhalen van de gewone mensen die de luisteraar aan het lachen maken, ontroeren en tot nadenken stemmen. 

frank_schoevaart-fotografie-portret-chris_bajema-2383

 

 

 

 

 

Luister hier naar de verhalen. Foto: Frank Schoevaart.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
frank_schoevaart-fotografie-portret-chris_bajema-2312Chris Bajema (1971) is een radio- en theatermaker. Hij begon ooit als verslaggever bij Radio 1, maar richtte zich in de loop der jaren steeds meer op het maken van langere verhalen. Dat resulteerde in een reeks radiodocumentaires en zijn 5-delige serie Een Grote Bruine Envelop. In die serie speelde het toeval bij het vinden van verhalen een grote rol. Naast zijn documentairewerk, regisseerde Bajema ook een aantal hoorspelen, waaronder Bommel en de serie Geluid Loopt die hij samen schreef met Jan Jaap van der Wal. In de podcast Man met de microfoon, een programma dat hij los van de omroepen maakt, combineert hij echte en bijna echte verhalen uit zijn eigen stadswijk. Bajema maakte afgelopen jaren ook een aantal kleine theatervoorstellingen met Paulien Cornelisse, waarbij geluid een grote rol speelt. Komende zomer speelt hij zijn (audio)voorstelling Rondvaart op theaterfestival De Parade.
Waarom dit verhaal?

In Man met de microfoon komt een stadswijk tot leven via echte en bijna echte verhalen. Op straat, in zijn eigen buurt in Amsterdam, vindt radiomaker Chris Bajema verhalen die hij deelt met de luisteraars van zijn podcast. Exacte verwijzingen naar de buurt ontbreken, het zou ook iedere andere stad kunnen zijn. De losse afleveringen stelt hij rond een onnadrukkelijk thema samen, dat subtiel raakt aan hedendaagse maatschappelijke vraagstukken.

Naast de straatvondsten, voegt Bajema fictieve scènes toe, die levensecht worden nagespeeld op locatie. Mensen die je zonder deze podcast ongemerkt op straat zou passeren, ontpoppen zich tot uitzonderlijke vertellers en opmerkelijke personages. Met deze podcast bouwt de radiomaker aan een nieuwe verhalenstad, waar de luisteraar de ander kan ontmoeten en zich kan verbazen over de bijzonderheid van het gewone leven.

Een prijzenswaardig initiatief van Bajema, die als pionier in het Nederlandse podcast-landschap het heft in eigen handen neemt. Hij produceert, financiert en distribueert Man met de microfoon onafhankelijk.

Toelichting van de maker

bajematoelichting

 

 

Foto: Frank Schoevaart
Klik hier om naar de toelichting van de maker te gaan.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

Het Wilgenhof Geheim

Wat weet radiomaker Joost Wilgenhof eigenlijk over zijn overleden vader? Hij was politie-agent. Maar dat hij ook werkte voor de Binnenlandse veiligheidsdienst, hield hij voor zijn collega’s en gezin verborgen. In Het Wilgenhof geheim leert de zoon zijn vader opnieuw kennen en stuit daarbij ook op onbekende kanten van zichzelf.

schermafbeelding-2017-03-02-om-15-56-47

 

 

 

 

 

 

 

Luister hier naar het verhaal. Foto: Jan Banning.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
Joost Wilgenhof (1967) werkt sinds hij in 1993 de School voor de Journalistiek afsloot, als freelance journalist en radiodocumentairemaker. Met zijn eindexamen documentaire Jacques Brel en de uitdaging van het Leven won hij de RVU-Radioprijs. Daarna werkte hij als verslaggever/redacteur voor diverse Nederlandse omroepen in binnen- en buitenland. Zijn liefde voor de radiodocumentaire ontwikkelde zich verder bij KRO’s Damokles. In zijn werk voor Argos van de VPRO, bekwaamde hij zich in de onderzoeksjournalistiek. Wilgenhof heeft een voorkeur voor sociaal-maatschappelijke en historische onderwerpen. Hij kiest altijd de menselijke kant. De radiodocumentaire Lieve Ulrike over de Duitse journalist/terrorist Ulrike Meinhof is daar een voorbeeld van en dat leverde hem een nominatie op voor de Prix Europa.

De laatste jaren was Wilgenhof regelmatig onderweg in diverse stadswijken voor online radioprojecten als Stem van West en Museum Perron Oost. Daarnaast zoekt hij steeds vaker internationale samenwerking. Tot en met juli 2017 is hij één van de deelnemers van de European Journalism Fellowship in Berlijn.

Waarom dit verhaal?

In het Wilgenhof Geheim onderzoekt radiomaker Joost Wilgenhof de dubbelrol die zijn overleden vader speelde als informant voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Die functie combineerde hij, buiten het gezichtsveld van zijn collega’s en zijn gezin, met zijn gewone politiewerk in Wageningen.

Het Wilgenhof Geheim is een zeer integere documentaire, waarin de maker het persoonlijke niet schuwt. Wilgenhof legt zijn relatie met zijn vader en diens beroep, maar ook de band met zijn eigen journalistieke werk, op een eigenzinnige wijze bloot voor de luisteraar.

Door gebruik van schijnbaar ‘droog’ bronnenmateriaal, zoals functioneringsgesprekken uit het politiearchief, én een uitgekiende montage, maakt hij een intrigerend portret van vader en zoon.  Want zoals wel vaker bij dit soort queestes, komt de maker in zijn zoektocht naar de ander uiteindelijk bij zichzelf uit. Het mooie is dat Wilgenhof daarbij zichzelf niet ontziet.

Onderhuids klinkt tegelijk een tijdsbeeld door: hoe de koude oorlog zelfs in een provinciestad als Wageningen sluimerde.

Een buitengewoon rijke luisterervaring.

Toelichting van de maker

schermafbeelding-2017-03-02-om-16-03-30

 

 

Foto: Jan Banning

Klik hier om naar de toelichting van de maker te gaan.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

4 x 7

Per aflevering zond Canvas 4 documentaires van 7 minuten uit, 48 in totaal. Het gaat over dingen die hen fascineren, ontroeren, inspireren of ergeren. De vorm is documentair, het onderwerp en de vorm is vrij. Documentairemaker Pieter-Jan de Pue filmde in Oost-Oekraine een bejaard echtpaar dat voor hun bijen in hun verwoeste dorp blijven wonen en er het beste van maken.

schermafbeelding-2017-03-02-om-14-18-23

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klik hier om naar de aflevering van Peter-Jan de Pue te gaan.

Klik hier om de gehele serie te bekijken.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
jstevensJan Stevens (1967) studeerde communicatiewetenschappen en sociale en culturele antropologie in Leuven. Daarna doorliep hij tal van omroepfuncties: redacteur, eindredacteur, digitaal projectleider, programmamanager en netmanager van VRT/Canvas. In zijn laatste functie gaf hij leiding aan de vernieuwde invulling van die zender. Hierna begon hij het productiebedrijf Boiler Media, waarvoor hij series ontwikkelde, initieerde en coördineerde, waaronder het hier bekroonde 4x7.
Waarom dit verhaal?

De documentairereeks 4x7 is een platform dat juist door z’n beperkingen grote mogelijkheden biedt. De individuele bijdragen zijn nooit langer dan 7 minuten. Maar voor de rest staat het de maker vrij elk onderwerp, in elke stijl en op elke wijze aan te pakken. Het verleidde niet alleen jonge filmers, maar ook gevestigde regisseurs om een bijdrage te leveren. Zo komen Stijn Conincx en Marc Didden naast jong talent te staan, zoals Lidewij Nuitten en Evy De Ceur. Gedreven door persoonlijke urgentie vertellen zij hun verhalen, variërend van een klein, intiem portret uit de eigen levenssfeer, tot een bredere, maatschappelijk relevante geschiedenis. De uitzendingen van telkens 4 onderwerpen, zijn op de website afzonderlijk te bekijken. Door de korte lengte wordt het nooit saai, maar evenmin gehaast. De redactie van Meestervertellers is onder de indruk van zowel de kwaliteit, maar ook van het initiatief om zoveel makers een kans te bieden om hun verhalen te vertellen.

Toelichting van de maker

Door z’n ambitie, ruimte en vrijheid is 4x7 een uniek project. De afgelopen jaren ontwikkelde Canvas al tal van kwalitatief hoogstaande, prachtig gefilmde en narratief sterke producties, maar een magazine in deze vorm ontbrak nog. Terwijl het toch een betrekkelijk eenvoudig concept is: een reeks afleveringen bestaande uit 4 korte documentaires, door filmers van zeer diverse pluimage gemaakt. Gevestigd, nieuw of ergens halverwege de carrière. De samenbindende factor bestaat uit de lengte van slechts zeven minuten en de eis dat het vertelde verhaal persoonlijke urgentie moet hebben. Maar of dat binnenshuis of buitenshuis, in familiekring of ver daarbuiten wordt gevonden, mag de maker zelf uitmaken. Lees meer

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen

Schuldig

In de veelgeprezen serie Schuldig ontmoeten we bewoners van de Amsterdamse Vogelbuurt die het hoofd maar moeilijk boven water kunnen houden. Maar ook de mensen die de strijd aangaan tegen ongeopende rekeningen en een vastgelopen systeem. De makers, Ester Gould en Sarah Sylbing, vertellen het grote verhaal van de schuldenproblematiek door alle betrokkenen een gezicht en een hart te geven. Deze documentaireserie is even spannend en ontroerend als fictie.

stillschuldig

Klik hier om naar de serie te gaan.

Toelichting van de makersTerug naar alle verhalen
 
ester-gould-sarah-sylbing_portretEster Gould (1975) en Sarah Sylbing (1980) volgden mediastudies in Amsterdam en New York. Beiden maken boeken, radio- en tv-programma’s, zowel samen als individueel. Hun werk gaat vaak over maatschappelijke thema’s als armoede, migratie, ouderdom en zorg. Via fictie, dramatisering en intieme scènes, proberen ze de lezer, kijker of luisteraar in het verhaal te trekken.

Vanaf 2006 bezochten de twee veelvuldig de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord, een volkswijk waar veel armoede voorkomt. Ze schreven naar aanleiding daarvan het boek Dubbeltjes & Kwartjes en maakten twee documentaires, De rekening van Catelijne en 50 Cent, over een multiprobleemgezin. Dat vormde de opmaat tot de documentaireserie Schuldig, die in 2016 werd uitgezonden. Vanwege die serie riep Villamedia Gould en Sylbing uit tot journalisten van het jaar 2016.

sarah sylbing en dennis uit SchuldigWaarom dit verhaal?

Vaak springt een verhaal er vooral uit door de scènes of de personages. Schuldig valt ook op door de mooie spanningsboog, de gelaagdheid en de journalistieke meerwaarde. De serie voegt daar zelfs nog iets aan toe: maatschappelijke impact. Door Schuldig laaide het debat over schuldenproblematiek in Nederland op, ook doordat de makers na afloop on tourgingen.

Net als de veelgeprezen politieserie The Wire onderscheidt Schuldig zich doordat beide kampen, de mensen met schulden en de schuldeisers/hulpverleners, evenveel aandacht krijgen. Er zijn geen good guys en bad guys. Uitdieping van personages en problematiek krijgt voorrang boven actie. The Wire is een dramaserie die dicht bij de realiteit blijft, Schuldig is een documentairereeks die, onder meer door de inzet van een dramaturge, is gedramatiseerd. Dat de werkelijkheid soms even in het drama is geperst, anders dan gesuggereerd speelt de serie zich niet alleen in de Vogelbuurt af, is bij zoveel kwaliteit en integriteit vergeeflijk.

Toelichting van de makers

Klik hier om naar de toelichting van de makers te gaan.

Toelichting van de makersTerug naar alle verhalen