Mijn twee grootste jongensdromen zullen voor altijd onvervuld blijven. Ik zal nooit een Paniniplaatje zijn en ik zal nooit in eerste klasse spelen. Het scheelde nochtans weinig.

Ik herinner mij:

  • een dribbel van Mbark Boussoufa
  • slagroom op een Amsterdamse tiet
  • een vreugdedans in Geel
  • twee spelers die vechtend over de vloer van de feestzaal rollen
  • een tattoo op de lies van een spelersvrouw

I.

Op een dag komt mijn vriendin thuis. Nog voor de deur in het slot valt, vraagt ze waar ik mee bezig ben.

“Ik?”, antwoord ik. “Nergens mee.”

Een domme reactie, achteraf bekeken. Zelfs al probeer je het nog zo hard, je kunt onmogelijk niets doen.

“Je staat met je voet op een tennisbal”, zegt ze. “En je glundert.”

Ze barst net niet in lachen uit.

“Oh. Dat. Gewoon.”

“Gewoon wat?”

“Gewoon: een beetje trappen.”

Minstens één keer per dag tik ik een tennisbal tegen een binnenmuur van ons huis. Om dan kort weg te draaien en – tàk – te trappen. Soms dribbel ik eerst om het bijzettafeltje, als was het een centrale verdediger, en mik ik dan pas naar de linkerbenedenhoek van de platenkast.

Vingertje in de lucht.

Ogen naar het plafond.

Heerlijk gevoel.

(Het gebeurt dat ik over de tennisbal struikel en op het tapijt beland. Een dribbelkont ben ik nooit geweest.)

II.

Ik geloof best dat mannen evolueren, maar niet meer na hun tiende.

Ook als jongetje van tien dribbel ik tafels, trap ik tennisballen tegen binnendeuren, steek ik vingers in de lucht. Tot ergernis van mijn moeder, ondanks alles mijn trouwste fan. Ik begrijp haar – dagelijks sneuvelt er een vaas, om de maand een venster – maar stoppen is geen optie. Ik wil niet rustig een boekje lezen. Ik wil niet naar Samson kijken. Ik wil trappen.

In vriendenboekjes schrijf ik na de vraag ‘Wat wil je later worden?’ steeds hetzelfde antwoord: ‘Profvoetballer’. Mijn handschrift zal nooit vaster ogen. Ook niet als ik jaren later een contract bij een eersteklasser onderteken.

Paniniboeken draai ik kapot. Uren kan ik naar de plaatjes kijken. Naar Chidi Nwanu en Florian Urban, Jean-Jacques Missé-Missé en Ratko Svilar. Behalve profvoetballer wil ik later nog iets worden: een plaatje van Panini. Blinkend en met geel omrand.

III.

Het hoogtepunt van mijn leven als een voetballer beleef ik op een modderig veld in Visé, iets boven Luik. De tribunes zijn halfvol. Het is koud, de zon schijnt zachtjes. KSV Roeselare, op dat moment mijn club, strijdt mee voor de titel in tweede nationale. Ik krijg een plaats op de bank.

Tijdens de opwarming fluistert topschutter Christophe Lauwers in mijn linkeroor: “Ik voel het. Jij gaat vandaag beslissend zijn.” Ik lach en vraag me af wanneer ik naar het toilet zou gaan: nu of tijdens de rust?

Het is een vraag die ik me in die periode wel vaker stel. Mijn ergste nachtmerrie is niet een owngoal of een onbegrijpelijke misser, nee, mijn visioenen gaan over plotse uitbarstingen in de maag- en darmstreek.

Twee uur na de woorden van de topschutter mag ik invallen. Het staat 0-0, er zijn nog dertig minuten te spelen. “Alles geven!”, brult trainer Dennis van Wijk. “Vechten voor elke bal!”

Nog tien minuten te gaan. Ik krijg de bal op rechts, zet zonder kijken voor, Bas Vervaeke duwt hem binnen: 0-1.

Nog twee minuten. Fred Vanderbiest zwiept een vrije trap in de zestien, ik werp me ertegen, gejuich op de tribunes en spelers op mijn lijf: 0-2.

We blijven in de titelstrijd. Ik waan me belangrijk.

IV.

Alles komt op dat moment samen.

Alle ochtenden met muesli en buikspieroefeningen.

Alle middagen op leven en dood op de speelplaats en nadien bezweet de les Latijn door. Rosa, rosa, rosam, rosae, rosae, rosa, rosae, rosae, rosas, rosarum, rosis, rosis!

Alle dinsdag- en donderdagavonden van bijtrekpas! knietjes omhoog! hielen tegen het zitvlak!

Al het monotone lijden met het oog op de glorie van morgen.

Alle gedweep.

Alle posters op de muren van mijn jongenskamer, alle foto’s uit tijdschriften en kranten. Luc Nilis, Marc Degryse, ja zelfs Bruno Versavel en Filip De Wilde. RSC Anderlecht is de muze, onbereikbaar en bloedmooi.

Een van mijn levendigste jeugdherinneringen is de 5-3 van Anderlecht op het veld van Werder Bremen. 8 december 1993.

Bij een 0-3 ruststand ga ik slapen, na doelpunten van Philippe Albert en Danny Boffin (twee). Een uur later hoor ik mijn vader de trap op komen.

“Zoon”, fluistert hij. “Slaap je al?”

“Nee.”

“Het is nog 5-3 geworden.”

“Wat?”

“Slaapwel.”

Mijn wereld stort in elkaar. God is niet dood. God is gewoon een onmens. Hoe kun je nu in een rechtvaardige wereld geloven als een 0-3 ruststand zomaar – je lette even niet goed op – tot een 5-3 einduitslag leidt? Als Philippe Albert niét de sterkste man ter wereld blijkt? Als de verrijzenis aan de verkeerde kant gebeurt?

Mijn hoofdkussen maakt het snikken heimelijk.

V.

Alles begint in de tuin en op mijn achtste krijg ik mijn eerste lidkaart. In een schriftje dat ik pas onlangs ontdekte, staan zinnen mijn vader: ‘Aansluiting bij voetbalclub Deerlijk Sport (groen-wit) op 18 september 1993. Heeft ondertussen een viertal trainingen achter de rug. Eerste wedstrijdaanduiding gebeurt op zaterdag 2 oktober 1993. Wedstrijd (preminiemen) NS Heule – Deerlijk.’

Verderop: ‘Deerlijk – Harelbeke: 0-1. Lander gestart als centrale middenvelder. Loopt er wat onwennig en verloren bij.’

Ik ben ontroerd als ik het lees.

Mijn eerste schot op doel komt er op 16 oktober 1993. Mijn eerste doelpunt een week later. ‘Doe zo verder’, schrijft mijn vader.

Ik beeld me zijn trots in. Je zoon zien scoren, is dat niet waarom je vader wordt?

VI.

De wedstrijd in Visé wordt op 7 november 2004 gespeeld. Negentien ben ik, student geschiedenis aan de Universiteit van Gent. Na een jeugd bij KVC Deerlijk Sport, KV Kortrijk en Racing Harelbeke ben ik bij het KSV Roeselare van trainer Dennis van Wijk en manager Luc Devroe beland, een tweedeklasser met ambitie.

Kapitein Fred Vanderbiest is de aanjager. Steve Barbé de draaischijf. Aziz Nouhass en Christophe Lauwers de goaltjesdieven op vinkenslag.

“Oi mannetje”, zegt Van Wijk opeens.

“Euh. Hallo. Dag trainer.”

“Hou je klaar. Ik zal je dit seizoen nog kunnen gebruiken.”

“Euh. Ja. Oké.”

Bij het belofte-elftal beleef ik een boerenjaar. We winnen de Voskescup, een jongerencompetitie met teams uit eerste en tweede klasse. In de finale verslaan we Club Brugge. Zij hebben Glenn Verbauwhede, Nicolas Lombaerts en Jason Vandelannoite op het veld, de toekomst van het Belgische voetbal.

Dat seizoen scoor ik meer dan gewoonlijk. Geen idee waarom, het mooie aan topvorm is juist de onverklaarbaarheid. Vertrouwen speelt een rol. Vaardigheid misschien. Puur toeval zeker ook.

Het is wat mij aan voetbal stoort: veel meer dan andere sporten is het op geluk gebaseerd, op de niet te trainen speling van het lot.

Wat mij nog aan voetbal stoort:

  • de tolerantie tegenover racisme, zowel op als naast het veld
  • truitjetrek
  • het geroep van een trainer
  • de korte hoekschop en de lange inworp
  • spanbroeken
  • de almacht van het geld
  • de fluorescerende uitrusting van een scheidsrechter
  • de knie van een verdediger in mijn rug

Een fijne spits ben ik niet. Lopen, duwen, vervelend zijn: dat is mijn taak. Ik moet ‘wegen’ op een verdediging. Komt er een voorzet van de zijkant, dan werp ik me ertegen. Krijg ik een bal in de voet, dan springt hij weg, als zijn bal en voet tegengestelde polen van dezelfde magneet.

Eigenlijk wilde ik doelman worden. Meer nog dan Pete Sampras of Michael Schumacher was Edwin van der Sar een jeugdheld: goede voeten, altijd kalm, het symbool van succesteam Ajax. Mijn vader zei: “Doelman? Niks van. Op het veld moet je staan.” Hij had iets tegen doelmannen. Ik weet nog altijd niet wat. Misschien dacht hij dat spitsen meer waardering zouden krijgen? Mooi niet. Ik hoor het de supporters nog roepen: “Godverdomme, waar hebben ze die gevonden?”

Toch krijg ik mijn kans. Van Wijk is een trainer van powerplay, van het zogenaamde Engelse voetbal, van “lange halen, snel thuis”. Blijkbaar pas ik in dat systeem.

Mijn debuut in de basis maak ik in december 2004 in het Regenboogstadion in Waregem en na vijf minuten komt mijn opmars al tot stilstand. Ik ga alleen op de doelman af, krijg een stroomstoot in de kop en mis.

Iemand roept: “Tjoolder!

Een ander: “Vervanging!”

Nog een ander: “Chinese poedel!”

(Ik had krullen waarop zelfs Marouane Fellaini jaloers zou zijn.)

We spelen gelijk – Zulte-Waregem wordt dat jaar kampioen – en ik zal nog drie keer starten en vijftien keer invallen, maar voor mezelf, de medespelers en de staf wordt daar en dan duidelijk: tot hier en niet verder.

Het seizoen eindigt op 29 mei 2005 op het veld van Verbroedering Geel. Peter Maes is er trainer, het stadion uitverkocht. Ik start op de bank. Het is de voorlaatste wedstrijd van de eindronde, met voorts ook Red Star Waasland en FC Antwerp.

Aan de wedstrijd zelf bewaar ik geen herinneringen. Wel zie ik me nog het veld op spurten, diep in blessuretijd, goed voor een invalbeurt van anderhalve minuut. Ik zie me juichen bij het laatste fluitsignaal. Supporters die het veld op rennen.

Het besef: we gaan naar eerste.

Ik zie iedereen dansen en vieren, reservedoelman Wouter Biebauw, middenvelder Maxime Annys, de materiaalman bijgenaamd Koetje.

Plotseling slaat de bliksem in: het is voorbij, het stopt hier.

VII.

Als ik aan mijn leven als een voetballer denk, het gebeurt nog zelden, denk ik nooit aan wedstrijden. Visé, Waregem en Geel zijn uitzonderingen, stukjes wrakhout in een oceaan van tijd.

Ik denk aan drank. Wodka die per fles en niet per glas wordt besteld. Warme Duvels, we kopen ze in een tankstation en drinken ze op de bus veel te snel leeg. Flessen champagne onder de douche, bij het vieren van de promotie.

Ik denk aan drugs. De verdediger die na marihuanagebruik wordt geschorst. De cocaïne, beschikbaar op de achterbank van een spelersauto. De extacy pil, blinkend in de handpalm van de medespeler. Het is bijna ochtend, we staan in een discotheek in Roeselare. Ik weet niet wat me overkomt.

Ik denk aan seks. De middenvelder die zijn vrouw alle hoeken van het toilet laat zien. De deur wijd open, het café bomvol. De verhalen over Acanthus, een bar langs een steenweg waarover na elke dinsdagtraining met vlammende ogen wordt gesproken.

Ook aan de vrouw van de speler denk ik, natuurlijk denk ik aan de vrouw van de speler. Ze is oogverblindend mooi.

Na een wedstrijd spreekt ze me aan. “Hallo”, zegt ze. “Wie ben jij?” Ik val over mijn woorden zoals ik weleens over de bal val.

Op een avond belt ze me.

“Ik zit in bad”, zegt ze. “En ik denk aan jou.”

Slik.

“Kom je niet af?”

Slik. Paniek.

“Niemand hoeft het te weten.”

Twijfel, toch maar inhaken.

Wekenlang stuurt ze berichten. Hoe meer ik die negeer, hoe feller ze wordt. Tot ze me begint te kussen in het bijzijn van haar man, aan de toog van het café waar spelers en supporters verbroederen.

Ik bestel snel een nieuwe pint.

Ze trekt aan mijn arm.

Het volgende dat ik weet is dat we samen in een huis staan, naast een bed, dat ik op haar lies een tattoo zie en in haar mond het nodige speeksel. Ik duw haar weg, loop terug naar het café. Achter mij hoor ik een deur dicht vallen.

Ik denk aan muziek. De beats in de oren van de medespelers. Mijn ontdekking van de hemel langs Blonde on Blonde: voor mij een plaat van Bob Dylan, voor hen het doel van een nachtje stappen. In mijn studentenkamer peppen Nirvana, Jimi Hendrix en Radiohead me op. In het stadion regeren Stash (‘Sadness’) en Armand Van Helden (‘My My My’).

Ik denk aan geld. De eerste wedstrijdpremie die op mijn rekening wordt gestort. De dvd-box van Twin Peaks die ik ermee koop, in de Fnac in de Veldstraat in Gent, later ook die van Seinfeld en Het Geslacht De Pauw. Het biljet van 500 euro waarmee ik om half twee ’s ochtends een rondje geef, hoogstens zes pinten sterk. Ik heb niets kleiners op zak en schaam me terwijl ik dit schrijf.

Ik denk aan de combinatie van dit alles in Amsterdam. Het is zaterdagavond. We zijn met de bus tot hier gereden, zogezegd op stage, en te voet hebben we De Wallen verkend. Iets voor achten stappen we een herenhuis bij de grachten binnen.

De Banana Bar.

Voorbij de dorpel begint de beestenboel.

Drank stroomt als goud in onze glazen. Borsten, billen, buiken worden ontbloot. Mits een toegift van vijf euro ploffen pingpongballen vanuit nauwe lichaamsgaten langs onze oren. Eén meisje schrijft een kaartje aan de voorzitter, pen tussen de onderste lippen gekneld. Muziek van 50 Cent vult de kamers.

Mannen vergeten hun vrouwen. Jongens worden mannen. Vrouwen trekken niet alleen de touwtjes strak.

Na een half uur weerklinkt een stem uit de boxen, metalig en kordaat: “De groep uit Roeselare mag het pand verlaten.”

Dronken gestommel op het bordes. Versplintering. Een nacht vol verwarring en verlangen, en op het einde een zakje friet.

Vijf maanden later, bij de promotie naar eerste klasse, vertelt trainer Dennis van Wijk aan een journalist: “Tijdens de winterstop trokken we met z’n allen naar Amsterdam. Daar legden we de basis voor dit succes.”

Als ik zijn woorden herlees, denk ik aan de medespelers die in de nacht van het promotiefeest vechtend over de grond rollen – hun hemden met bier besmeurd, trefzekerheid in de ogen. Wat hen woest heeft gemaakt, weet ik niet. Misschien iets met een vrouw?

VIII.

Ik zit op de trein. We rijden Brussel-Noord binnen, een splijtzwam in de stad. Zoals altijd valt mijn oog op de twee Proximus-torens, vooral op de glazen passerelle die hen verbindt.

Links, bedenk ik, staat mijn jeugd.

Rechts is de rest van mijn leven.

Mijn jaren bij KSV Roeselare vormen de passerelle, beide delen stilletjes aan elkaar lijmend.

Ervoor ben ik een jongen uit een dorp. Ik groei zorgeloos op, onder een stolp haast.

Naar fuiven ga ik nooit: ik vind het saai, lust geen alcohol en bij het zien van een meisje slaan niet mijn hormonen maar mijn zenuwen op hol.

Voetballen doe ik met leeftijdsgenoten. Spelplezier is mijn benzine, winnen bijzaak. De ontgoocheling na een nederlaag duurt vijf minuten, ongeveer de tijd die ik nodig heb om een zakje rode ‘poepkes’ of een Koetjesreep naar binnen te werken. Een gele limonade helpt ook altijd.

Erna waan ik me nog steeds een jongen, maar ik ben uit het dorp gehaald.

‘Poepkes’ worden vrouwenkonten.

Gele limonade bier.

De speelplaats een veld, omgeven door tribunes vol vreemde mensen, roepend en scheldend.

Het is niet zo dat mijn wereld alleen maar dankzij het voetbal opentrekt. Ook andere factoren spelen een rol: de leeftijd, de studies, het daarmee verbonden nachtleven, nieuwe vriendschappen en dus nieuwe impulsen.

Hoe dan ook, hoe meer ik voetbal speel, hoe minder ik me voetballer voel. Op de posters aan de muren van mijn kamer worden de gezichten steeds ruwer, hun baarden steeds langer. Ik wil niet langer Luc Nilis of Marc Emmers zijn. Tony Soprano is mijn nieuwe held. Rock-‘n-roll trekt me aan, niet 4-4-2.

IX.

Ik was gewoon niet goed genoeg, laten we eerlijk zijn.

X.

Op het einde van het seizoen stijgen we naar eerste klasse. KSV Roeselare komt in de wereld van business seats en fanshops terecht, van Sportweekend en stages onder de Spaanse zon. Veel spelers vertrekken. Ik blijf.

In de Gouden 11-pronostiek van Het Laatste Nieuws ben ik negen punten waard, ongeveer een derde van Pär Zetterberg en twee meer dan Steven Defour, een belofte bij Racing Genk.

Ik maak de voorbereiding mee en heb in de kleedkamer amper contact met nieuwe spelers als Eric Joly en Wagneau Eloi (ex-Monaco). In oefenwedstrijden kom ik zelden van de bank. De belofteploeg wordt mijn hoogste doel. Soms speel ik er als rechtsachter. Tegen Racing Genk onder meer, met Bob Peeters en Marvin Ogunjimi.

De knipselmap van mijn moeder leert me dat ik ook tegen Vadis Odjidja, Walter Baseggio en Aristide Bancé heb gespeeld, maar dat zijn schimmen, voorgoed in het spookkasteel van mijn herinneringen verdwenen.

XI.

Het dichtst bij de jongensdroom kom ik op een zondagmiddag in september. We spelen tegen AA Gent en ik ben geselecteerd. Door schorsingen en blessures staat mijn naam voor het eerst dit seizoen op de lijst die elke vrijdag in de kleedkamer hangt.

Op dat moment voel ik me allang geen deel van het geheel meer. De feestjes zijn door stilte vervangen. Geen vrouw probeert me nog te versieren. Geen pint wordt me nog getrakteerd. Ik ben een restletsel, een strompelend litteken van een voorbije tijd.

De wedstrijd eindigt op een gelijkspel: 1-1. Mbark Boussoufa maakt enkele knappe acties. Het publiek is enthousiast. Na veertig minuten schrik ik. Spits Christophe Lauwers moet naar de kant. Even denk ik het veld op te mogen rennen. Twee seconden maar. Tot blijkt dat ik rustig mag blijven zitten, als toeschouwer van mijn eigen droom.

Het is warm in de zon.

XII.

Een week later verschijnt er in een regionale krant een interview met Wouter Biebauw, Wouter Vandendriessche en ikzelf. Drie jeugdspelers van KVC Deerlijk Sport, alle drie in eerste klasse beland (Vandendriessche speelde later Europees met Zulte-Waregem, Biebauw stond afgelopen seizoen enkele wedstrijden bij KV Oostende onder de lat).

“Als er zich geen kansen voordoen”, zeg ik in de typische taal van de regiojournalist, “moet ik misschien toch andere oorden opzoeken.”

In december komt de bevrijding. VG Oostende wil me, een vierdeklasser met een losgeslagen voorzitter en een sterke spelerskern.

De eerste maand krijg ik de sportwagen van de vrouw van de ondervoorzitter in bruikleen.

Eén keer trek ik alle registers open, op de snelweg tussen Deerlijk en Kruishoutem. Het is de nekslag aan mijn voetbaldroom. Het meisje dat naast me zit, interesseert me meer dan de snelle wagen, het salaris, de eindeloze carrousel van bal vasthouden en bijsluiten! balcirculatie! de beuk erin!

Ook de voetbalkantine wordt me stilaan te veel.

Uiteraard schuilt er veel schoonheid in het voetbal:

  • het veld van Racing Mater
  • de korte, euforische gedachteloosheid na een doelpunt
  • Jari Litmanen
  • het scorebord in Brasserie Verschueren, op de Parvis in Sint-Gillis Brussel
  • het loopje van een lijnrechter
  • de schilderijen van Raoul De Keyser
  • Football Manager 2000
  • de truitjes van Boca Juniors
  • de dubbele schaar

XIII.

Het avontuur in Oostende draait op niets uit. We blijven in bevordering hangen, de voorzitter wordt ziek. Ik stap naar derdeklasser KSV Sottegem over en speel er tegen toekomstige sterren als Laurent Depoitre en Thorgan Hazard. Meer valt er niet over te zeggen. Bij Olsa Brakel beleef ik een tweede jeugd. We zijn vrienden en verstaan elkaar. Het leven is simpel: in de week ga je werken, ’s zondags speel je voetbal.

Mijn beslissing om te stoppen heb ik me nog geen moment beklaagd, maar op mijn passage in Brakel kijk ik soms met weemoed terug.

Alleen al door het afscheid: in het allerlaatste kwartier van mijn allerlaatste wedstrijd in een officiële competitie krijg ik de bal verkeerd op het hoofd. Brakel naar derde, ik op rust.

“Deweer kopt Olsa naar derde”, staat een dag later in de krant. “Brakel speelt volgend seizoen voor het eerst in de geschiedenis van de club in derde klasse.”

De avond van mijn kopbal krijg ik tranen in de ogen. Ik weet dat ik iets anders met mijn leven moet doen, iets anders dan van juli tot mei elke dinsdag, donderdag, vrijdag en zondagmiddag op een grasveld staan.

Ik vertrek op wereldreis, van Nieuw-Zeeland tot Bolivia, en neem erna mijn job als journalist weer op.

Een jaar later verschijnt het nieuwe stickerboek van Panini, voortaan ook met derdeklassers. Dat is even slikken.

XIV.

Ach.

Mijn leven is goed nu.

Ik speel zaalvoetbal in Brussel en veldvoetbal in een liefhebberscompetitie in Kortrijk. Supporters zijn er niet. Een trainer evenmin. Medespelers zijn vrienden, geen concurrenten. Of hun vrouwen tattoo’s hebben, weet ik niet.

Eerste klasse volg ik zoals iedereen: via kranten en tv.

In Visé ben ik sinds die zondag in 2004 niet meer geweest.

Tak, tak, tàk.

Rakelings scheert de tennisbal de vensterbank vol vrouwentongen.

Dit verhaal is opgedragen aan Cyriel Detremmerie (1985-2016), mijn oud-ploegmaat bij KSV Roeselare.

Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen
 
lander-deweer-pasfotoLander Deweer (1985) schreef als jongetje in een vriendenboek al dat voetbal zijn favoriete sport was; Anderlecht en Juventus waren zijn clubs. Hij studeerde later Geschiedenis in Gent en werkte tussen 2009 en 2014 voor dagblad De Morgen. Inmiddels is hij freelancer, onder meer voor wielertijdschrift Bahamontes en voetbalbroertje Puskas. Voor het eerste nummer van het laatstgenoemde magazine schreef hij dit in Meestervertellers opgenomen verhaal. In 2015 verscheen Onze borst: dagboek van kanker, over de moeilijke periode nadat borstkanker was geconstateerd bij zijn vriendin Inge.
Waarom dit verhaal? Je zou die achteloos geschetste openingsscène toch boven je bed willen hangen, als voetbalromanticus. Die waarin de vriendin van Lander Deweer - de auteur van dit magnifieke ik-verhaal - thuis komt en hem aantreft met een balletje aan zijn voet, in verbeelding weer even de Michel Laudrup of Dennis Bergkamp aan wie hij zichzelf ooit, korte tijd, daadwerkelijk dacht te kunnen spiegelen. Want Deweer had het leven als profvoetballer binnen bereik, zo leren we. Hij speelde bijna op het hoogste Belgische niveau en, misschien nog belangrijker, was dus bijna een Panini-plaatje. Nu hij het leven van reservebanken en teamuitjes naar de Amsterdamse Wallen ver achter zich gelaten heeft, gaat hij in zijn herinneringen op zoek naar redenen voor het net-niet. Deweer speelt met vorm en stijl, legt zelfspot en zuivere nostalgie aan de dag en vertedert als antiheld in zijn eigen verhaal. Leverde falen maar vaker zo’n pracht op, dan zouden we er niet zo bang voor hoeven zijn.
Toelichting van de maker Tuurlijk. Tuurlijk wilde ik aan Puskas meewerken, het voetbalbroertje van het wielertijdschrift Bahamontes. Ik twijfelde geen moment. Of ik een verhaal over mijn eigen voetbalcarrière wilde maken? Oei. Dat was lastiger. Ik voelde schroom om over mezelf te schrijven, wilde ook geen nestbevuiler zijn. Toch hapte ik toe. Stiekem dacht ik er al langer aan, dit was het juiste moment. Door erover te schrijven kon ik een periode afsluiten. Lees meer
Toelichting van de makerTerug naar alle verhalen